Snel, hard en duidelijk - met humor en zelfspot

Het fonds dat claims over de olieramp in de Golf van Mexico afhandelt wordt beheerd door een advocaat die per privévliegtuig door de regio trekt. Op tournee met ‘de man van 20 miljard’.

Zij kwamen in hun pick-uptrucks aanrijden, hij arriveerde per privévliegtuig. Zij zeggen met een oprechte snik in hun stem hoeveel ze zijn kwijtgeraakt, hij slaat zelfverzekerd met zijn vuist op tafel en vertelt hoeveel hij te verdelen heeft. Zij zijn de gedupeerden van de olieramp in de Golf van Mexico, hij is ‘de man van 20 miljard’.

Want zo noemen ze hem, Kenneth Feinberg, de Amerikaan die het fonds beheert waaruit benadeelde burgers en bedrijven door olieconcern BP schade vergoed moeten krijgen. Ook al is het lek op de zeebodem gedicht en wordt de hoeveelheid olie in de Golf met de dag minder, Feinbergs werk begint nu pas. Hij beslist wie de komende drie jaar geld krijgt, en hoeveel.

Feinberg, 64 en advocaat te Washington, grossiert in het schikken van stekelige en op het oog onoplosbare zaken. Eerst waren er een kwart miljoen Amerikaanse Vietnam-veteranen en hun zaak tegen de fabrikant van Agent Oranje, een in de oorlog gebruikt verdelgingsmiddel. Na de aanslagen van 11 september gaf hij leiding aan het fonds dat uiteindelijk 7 miljard dollar uitkeerde aan vijfduizend familieleden van de slachtoffers. Daarna volgden nog de nabestaanden van de schietpartij op de universiteit Virginia Tech en tussendoor was hij ook nog Obama’s zogenoemde pay czar, bonussentsaar, die moest toezien op de besteding van het geld dat banken tijdens de kredietcrisis van de overheid kregen.

Vooral bij het 9/11-fonds kreeg hij in eerste instantie veel kritiek. Hij zou koel, hard, berekenend zijn. Maar hoe meer geld hij uitkeerde, des te kleiner de tegenstand. Wat ook hielp: met Feinberg weet iedereen waaraan hij toe is. En zo weet hij nu dag in dag uit zalen vol sceptische en soms zelfs agressieve Amerikanen voor zich te winnen, ondanks het feit dat zijn opdrachtgevers exact die twee partijen zijn die de inwoners van de Golfkust het meest wantrouwen. De overheid. Het oliebedrijf.

Over twee weken trekt BP zich officieel terug uit het claimproces, Feinberg neemt het dan over. Daarop anticiperend trekt hij in een moordend tempo door de vier kuststaten. Van bejaardenhuizen naar universiteitszalen, van gemeentehuizen naar golfclubs. Zoals afgelopen dinsdag, in Panama City, een ordinaire badplaats in het noordwesten van Florida. De bijeenkomst begint om half acht ’s ochtends, en dan heeft Feinberg de vier uur durende vlucht vanuit Washington al achter de rug.

Hij treedt de mensen – vissers, makelaars, winkeliers, bruiloftsplanners – zonder jas of das, maar met overredingskracht tegemoet. Hij legt in tien minuten uit hoe ze aanspraak kunnen maken op zes maanden nooduitkering, hoe ze daarna nog een eenmalig bedrag kunnen krijgen en beantwoordt dan onvermoeibaar vragen die de economische ontwrichting door de olieramp laten zien. „Ik heb een winkel op de boulevard, is er geld?” „Ik ben hoteleigenaar en toeristen zeggen massaal af, ook al is er geen olie op mijn strand aangespoeld.” „Ik ben visser, mijn bemanning heeft honger.”

Ja, ja en ja. Je lijdt schade, dien een claim in, de cheque volgt.

Ook al wordt Feinberg betaald door BP – „Door wie anders? Door jullie?” – hij benadrukt zijn onafhankelijkheid en zegt dat hij alleen verantwoording schuldig is aan de inwoners van Florida (of een andere staat waar hij op dat moment spreekt). Hij gebruikt heldere taal over het overzichtelijke claimproces, komt van het podium en gaat letterlijk tussen de circa tweehonderd gedupeerden staan, masseert ze door te benadrukken dat zíj „de experts” zijn. Zíj weten het beste wat hun schade is. Hoezeer de Golf getroffen is. Hoe de regionale economie er de komende jaren zal uitzien.

Feinberg zegt niet van mooie praatjes te houden, „en beoordeel me niet op de gouden bergen die ik beloof. Reken mij maar af op de cheques die je ontvangt, op de snelheid waarmee ze aankomen, op het totaal aan uitgekeerd geld”. Feinberg zegt simpelweg „no” op in zijn ogen onzinverzoeken, hij slaat met zijn vuist op tafel als hij iets wil benadrukken en hij zegt „oh-oh” als iemand zich voorstelt als een professor. Als een hoogbejaarde visser de microfoon laat vallen en de klap keihard uit de boxen klinkt, zegt hij droogjes: „nou, die staat dus aan”. De zaal lacht vol opluchting.

Maar nergens weet Feinberg de gedupeerden meer mee te charmeren dan met zijn accent. In dit deel van Florida wordt namelijk plat gepraat. Echt plat. „Oll spill”, zeggen de gedupeerden. Maar Feinberg komt uit Boston en zegt dus „jiiii” als hij „year” bedoelt, en „dollah” als hij het over geld heeft. „Nog één ding dan: reken me ook maar niet af op mijn accent.” Dat soort zelfspot snappen ze hier.

Na twee uur bedankt hij de mensen die zonder werk zitten dat ze hierheen kwamen „want ik weet hoe druk u het heeft” en rijdt hij per karavaan van zwarte SUV’s naar het vliegveld. Daarvandaan gaat het privévliegtuig – ook op kosten van BP – naar Pensacola, 165 kilometer verderop.

Daar zitten dan al driehonderd gedupeerden te wachten in een bomvol congrescentrum en vertelt hij opnieuw over het gemak waarmee ze straks kunnen claimen en wat hij allemaal „geleerd” heeft over deze regio „waar opvallend veel bedrijven alleen met contant geld werken en hun belastingaangifte kwijt zijn”.

De zaal lacht besmuikt. De insinuatie is duidelijk. Maar Feinberg walst door. Hij wil een punt maken. „Ook zonder belastingaangifte kan ik veel.” Contracten waarop iemand terugkwam, bonnetjes, mails van aanstaande echtparen die hun bruiloft op het strand afzeggen. Desnoods moet de kapitein, een priester of de lokale sheriff maar langskomen om de juistheid van de schade te bevestigen. „Vergeet de wet, denk ik dan. Denk aan het lijden.” Later kan de journalist dan even met hem doorpraten. „Deed ik het goed?”, vraagt Feinberg retorisch. Maar dat van die priester, méént hij dat? De correspondent krijgt meteen een glimlach en een arm om de schouder. Zo is Feinberg. „Zeker. Maar nu eerst eens kijken hoeveel priesters zich daarvoor lenen.”

Ondanks de wereldwijde publieke en politieke verontwaardiging over BP weigert Feinberg het bedrijf publiekelijk af te vallen. Hij benadrukt dat BP – „dat in de olie zit, niet in de afhandeling van claims” – 35 claimbureaus heeft opgezet, 1.500 mensen daarvoor heeft aangenomen en al 320 miljoen dollar heeft uitgedeeld.

Dat wil niet zeggen dat het olieconcern Feinbergs fonds uit de goedheid van zijn hart heeft ingesteld. In een vier uur durende onderhandelingssessie in het Witte Huis werd tot het fonds besloten, onder druk van juridisch ingrijpen van de overheid. BP heeft deze week de eerste 3 miljard dollar overgemaakt, voor het einde van het jaar volgt nog 2 miljard. Daarna stort het bedrijf drie jaar lang 5 miljard. Als Feinberg meer nodig heeft dan de afgesproken 20 miljard, moet BP bijbetalen.

De advocaat benadrukt niets tegen claimadvocaten te hebben – hij herkent er zelfs een paar in de zaal en noemt ze bij naam – maar hij drukt benadeelden op het hart er niet mee in zee te gaan. Ze willen een deel van de opbrengsten, het proces duurt eindeloos, de uitkomst is onzeker.

Als Feinberg zo benadrukt alleen te werken voor de mensen aan de Golf en uiteindelijk irrelevant is hoeveel hij uitgeeft, waarom heeft hij dan überhaupt nog regels opgesteld? Waarom keert hij niet gewoon uit aan eenieder die zijn hand ophoudt? „Ik heb nu al claims binnen uit 48 staten. Tel al het geld van de hele wereld bij elkaar op en er is nog niet genoeg om iedereen die zich benadeeld voelt iets uit te keren. Ook moet ik goed op fraude letten. Mijn doel is de maximale hoeveelheid geld zo snel mogelijk uit te keren aan degenen die het verdienen.”

Dat willen de gedupeerden ook. Zeggen ze. „Je zou denken dat mensen wel inzien hoe slim het is geld te vragen zonder dat daar een verplichting aan vast zit”, klaagt Feinberg dan toch nog even. „Maar mensen stellen het uit, maken zich zorgen over hun privacy of zijn gewoon sceptisch. Meer dan je zou denken.” Dus vertelt hij het de volgende dag gewoon nog een keer.

Dit is deel 1 van een tweeluik over de nasleep van de olieramp. Morgen deel 2: de claimadvocaten.