Pakistan zakt langzaam weg in rampspoed

Pakistanen zijn zwaar teleurgesteld in de lakse aanpak van de watersnood. Na het vertrek van generaal Musharraf is de staat niet beter voor de bevolking gaan zorgen.

Muhammed Ramazan uit Rawalpindi zegt dat hij 108 jaar is en acht maanden. Of dat precies klopt, is moeilijk na te gaan. Maar hij is in ieder geval oud genoeg om zich de laatste grote watersnood te herinneren, die Pakistan in 1929 trof. En hij is oud genoeg om zich na de onafhankelijkheid de bijeenkomsten te herinneren waarop de legendarische socialistische leider Zulfikar Ali Bhutto de massa’s in vervoering bracht.

Ramazan verheft plotseling zijn stem. „Bhutto, dat was een leider! Dat was een man met karakter. Dat was een man met een hart, die zijn volk niet in de steek liet.”

Nu is er niemand die het land voorgaat in zijn verdriet, stelt Ramazan somber vast, terwijl hij met zijn vingers door zijn lange witte baard strijkt. Zijn loftuiting aan het adres van Bhutto is een felle aanklacht tegen de huidige president Asif Ali Zardari. Die weigerde de afgelopen week zijn rondreis in Europa te onderbreken, ook toen de volle omvang van de watersnood in zijn land begon door te dringen. Iedereen in Pakistan heeft de televisiebeelden gezien van een grijnzende Zardari bij zijn kasteeltje even buiten Parijs, terwijl het dodental in eigen land steeds verder opliep.

Analist Imtiaz Gul, directeur van het Center for Research & Security Studies in Islamabad, kan zich de volkswoede over de desertie van Zardari heel goed voorstellen. „Dat hij niet onmiddellijk is teruggekomen, is onvergeeflijk, zo pijnlijk”, oordeelt Gul. Het heeft Pakistans imago grote schade berokkend. „De premier van uw land zal zich wel twee keer bedenken voordat hij het zuurverdiende geld van zijn belastingbetalers gaat uitgeven aan hulp voor een land waarvan de president niet eens de moeite neemt om de tragedie persoonlijk in ogenschouw te nemen.”

Los daarvan is corruptie een groot probleem, zegt Gul. Hij zegt dat particuliere organisaties in Pakistan buitenlandse donoren oproepen geen hulp te geven via de Pakistaanse overheid. „Voorkomen moet worden dat het geld verdwijnt in de zakken van politici en functionarissen”, zegt hij. „We moeten ervoor zorgen dat het geld direct bij de mensen komt voor wie het is bestemd.”

Voor vandaag, op de dag dat de vastenmaand ramadan begint, is nieuwe regen voorspeld. De ramp is nog lang niet voorbij. Maar één conclusie wordt in Pakistan al getrokken: op de regering in Islamabad hoef je niet rekenen. Sommigen zeggen dat het leger, steeds dominant aanwezig op de achtergrond, handig van de situatie gebruikmaakt om zijn positie verder te versterken. Maar als dat bedoeld is als een aanklacht tegen het leger, dan vindt Gul dat onheus.

„Als het politieke leiderschap zich onbekwaam en onverschillig toont, wie moet dan het voortouw nemen in de hulpverlening?” vraagt hij zich af.

Vervolg Pakistan: pagina 4

‘Pakistanen bekeren zich niet zomaar tot Talibaan’

Gul: „Voordat enig politicus zich had laten zien, was legerleider Kayani al ter plekke bij de getroffen plaatsen in het noordwesten. Dat is slim. Maar je mag hem dat natuurlijk niet kwalijk nemen. Na het vertrek van generaal Musharraf hoopten we dat de democratie versterkt zou worden en dat de rol van het leger zou worden ingeperkt. Nu moeten we vaststellen dat de politici verdeeld zijn en dat de regering onmachtig is.”

Alle aandacht richt zich op het in veiligheid brengen van mensen uit bedreigde gebieden, het verstrekken van voedsel en medicijnen voor de direct getroffenen, en het voorkomen van het uitbreken van epidemieën. De taak die daarna volgt, is mogelijk nog gigantischer. Gul zegt dat het beeld de komende maanden, zo niet jaren, nog „bijzonder grimmig’’ zal blijven. Veel gewassen op het land zijn weggespoeld, boeren hebben hun buffels, geiten en schapen verloren, vaak het enige bezit dat ze hadden.

Pakistan maakte de afgelopen jaren een diepe economische en sociale crisis door, met torenhoge inflatie, hoge prijzen voor voedsel en brandstof, en een nijpend tekort aan elektriciteit voor gezinnen en fabrieken. Heel voorzichtig leek herstel zich aan te dienen. Maar nu moet het land weer opnieuw opkrabbelen. „De economie raakt opnieuw gevangen in een neerwaartse spiraal”, zegt Gul.

Natuurlijk zal dat de stabiliteit van het land aantasten, zegt hij. Er zal sociale onrust ontstaan over de stijgende kosten van levensonderhoud, frustratie over de uitzichtloosheid van het bestaan en boosheid over het gebrek aan banen. Mogelijk zullen hier en daar rellen uitbreken, zal de misdaad toenemen. Maar, zegt Gul ook, Pakistan heeft in het verleden vaker diepe crises overleefd. Gevaar dat het land in de greep komt van extremisme en afglijdt naar totale chaos, ziet hij niet onmiddellijk. „Pakistan is Afghanistan niet.”

Gul denkt niet dat de bevolking in het grensgebied met Afghanistan massaal zal overlopen naar de Talibaan en andere extremistische organisaties omdat die hulp bieden. De berichten daarover noemt hij overdreven. „De slachtoffers accepteren hulp van iedereen, of het nu de extremisten zijn, de Amerikanen of het Pakistaanse leger. Ze hebben niets te kiezen. Maar dat betekent nog niet dat ze zich bekeren tot de Talibaan. De meesten moeten niets hebben van het extreemstrenge wahabisme dat de Talibaan aanhangen.”