Op naar de eerste 'kletspauze'

Deze zomer duikt nrc.next in het verenigingsleven.

Vandaag: de Nederlandse Bond voor Plattelandsvrouwen. „Gezelligheid als extraatje.”

Misschien gebeurde het op het moment dat mijn overgrootvader iets heel vreemds rook in zijn loopgraaf. Was het knoflook? Nee, dat kon toch niet; niet hier, niet nu. Hij greep naar zijn keel. De Grote Oorlog liep dan wel ten einde, de Duitsers waren nog nooit zo giftig geweest: het was mosterdgas, en gasmaskers hadden de frontsoldaten niet.

Misschien op dat exacte moment sloeg een Groningse jongedame een schrift open – harde kaft, scheef etiket – en doopte haar kroontjespen in een potje grijszwarte inkt. IJzer tegen glas, ze hield van dat geluid. Ze keek nog eens goed naar het kladje op de keukentafel, schoof haar stoel wat dichterbij, en schreef: ‘Vereeniging ter behartiging van de belangen van ’t Huisgezin ten platten lande.’ Tussen aanhalingstekens, want het betrof de titel van haar verslag, en titels hoorden tussen aanhalingstekens te staan.

Ze bevond zich nauwelijks 450 kilometer van mijn naar zuurstof happende overgrootvader, en ze besloot: nu moet ik een regel vrij laten. Een witregel dus, gevolgd door een zwierige hoofdletter D. Daar verscheen de perfecte eerste zin. Fijn wat kommaatjes, want die stonden zo deftig. ‘Den 17 Jan. 1917 werden de oud-leerlingen v/d landbouw-huishoudcurcus door Mej. Jensema, lerares aan genoemde curcus, ter vergadering opgeroepen, om een vereeniging op te richten, die zich ten doel stelt de belangen van het huisgezin ten platten lande te bevorderen.’

„Mooi handschrift hadden ze toen, hè?” zucht Melany. Ik knik. Dat dit cahier niet ergens tentoon wordt gesteld! En ze heeft er boven nog veel meer, zegt Melany nonchalant. Ze kreeg die dingen van de vorige voorzitter. In een doos. It comes with the job.

Melany Geluk (66) is voorzitter van de Nederlandse Bond voor Plattelandsvrouwen, Afdeling Zuidhorn. Sinds een jaar ziet ze toe hoe ‘haar’ dames zich de digitale fotografie eigen maken, naar Marokko toe reizen of hun ogen de kost geven in de rechtbank van Groningen. Kennis, daar gaat het om, met gezelligheid als extraatje. Voor 48 euro per jaar leren deze vrouwen liever over kunstgeschiedenis of luisteren ze naar een ‘causerie’ over Charles Dickens dan dat ze kantklossen.

„Voor handwerk kunnen ze terecht bij de regionale afdeling,” zegt Melany. „Daar wordt nogal wat af gequilt!” Voor wie het nog niet had begrepen: Melany is geen plattelandsvrouw, Melany is een vrouw van nu. En laat dat nou net de officiële naam zijn van de tachtigjarige Bond: de NBvP, Vrouwen van Nu. „Hoewel mijn zonen ons liever anders noemen. Die zeggen: ach mam, ga je weer naar de vrouwen van tegenwoordig?” Ze lacht. Dat doet ze graag. Ik mag haar meteen, en haar soep nog meer. Courgettesoep maakte ze voor me. Later zal ze me het recept mailen; het geheime ingrediënt is een heel pakje Boursin.

Ze wil dat ik weet dat ze nooit lid wilde worden. Haar moeder was lid, lang geleden, van een andere afdeling. En vroeger gold: zo moeder, zo dochter. Je werd lid toen je trouwde. „Maar ik moest er niet aan denken. Al die grijze koppen!” Zelfs toen ze hier 3,5 jaar geleden kwam wonen – blond was ze allang niet meer – duurde het nog even voordat ze om was. „Een kennis van me zei: word nou lid, dan leer je mensen kennen.” En jawel: ze had er meteen 240 vriendinnen bij. Da’s andere koek dan Facebook.

Zou ze eigenlijk op Facebook zitten? Het zou me niet verbazen; de landelijke vereniging (circa 550 afdelingen met in totaal ruim 48.000 leden) twittert er al sinds april vorig jaar op los. Toen had ik zelf niet eens een Twitter-account. En Melany? Ik wil het haar vragen, maar haar vriendin Tia Krijgsveld (64), secretaris van hun afdeling, kijkt op haar horloge. „Is het niet tijd om naar de Rabo te gaan?” Het is bijna 13 uur. Met enige tegenzin leg ik het schrift – de basis van deze NBvP-afdeling – opzij. Nog één kopje soep dan.

Op de parkeerplaats van de bank staan de drie dames van de Fietscommissie al te wachten. De wolken hangen laag en zwaar. Het gaat regenen, geen twijfel mogelijk. En dat terwijl er een fietstocht van 40 kilometer op het programma staat. Komen er nog wel meer leden? Ik heb er weinig vertrouwen in, maar kijk, daar komt er nog eentje aanfietsen: een elegante dame wiens armen stoer op van die speciale stuursteunen leunen. Zo’n ellebogending zie je alleen op plekken waar in weer en wind wordt doorgetrapt.

De een na de ander komt opdagen; Jeltje Posthumus (74), Regina Straat (65) en Aaltje Togtema (66) glimlachen tevreden. Zo kennen ze hun meisjes. Hoe lang ze al lid zijn? „Ach!” Ze halen hun schouders op, tellen de jaren. Respectievelijk ‘iets van’ 50, 40 en 30 jaar. „Maar ik heb wel een keer tussendoor opgezegd, hoor”, voegt Regina eraan toe, alsof ze zich toch een heel klein beetje schaamt. Ze wil er best bij horen, maar laat het duidelijk zijn: „Soms werd het me te veel.”

Ik kan me het voorstellen: al die vurige vrouwen, dat moet toch af en toe flink ontvlammen. „Joh, deze vereniging is zo groot. Als je iemand niet mag, dan kun je haar makkelijk uit de weg gaan. Ik bedoelde gewoon dat ik het te druk had.” We zijn nu met z’n twaalven; de beige bakstenen van de Rabobank kaatsen het oplopende gekakel terug. Gaat het altijd zo? Willy Kalf (63), 25 jaar lid, knikt. „Soms weet ik niet meer waar ik nou precies heb gefietst, ik zit gewoon te veel te ouwehoeren. We zijn allemaal dikke vriendinnen. Behalve als het regent, dan worden we chagrijnig.” Dat belooft wat. „Maar dan gaan we lekker de kroeg in!” zegt Jeltje. „We hebben toch al twee kletspauzes onderweg.”

Luid kwebbelend verdwijnen de grijze en witte hoofden in een van de groene lanen, op naar de eerste ‘kletspauze’. Ik fiets slechts op het eind een klein stukje mee, in de striemende regen. Van chagrijn geen sprake. De richtingaanwijzers doen me geloven dat ik in een ander land ben: Sauwerd, Aduard, Saaksum, Ranum, Rasquert. Ik fiets hier gewoon door Middle Earth! Zo groen en vredig, met Enlightened Ladies in bonte regenjasjes in plaats van Dark Lords in duistere torens. In Garnwerd, bij een schattig jachthaventje aan het Reitdiep, pellen we de regenjasjes af.

De serveerster van Café Hammingh, gebouwd in 1876, komt keukendoeken brengen. Keukendoeken? IJverig beginnen de dames hun brillenglazen droog te poetsen. Ah. Ze bestellen koffie en cake. „Je hebt het getroffen,” krijg ik toegefluisterd. „Voor Groningers is dit echt dé plees toe bie.”