Onbegrijpelijke onlogica

‘Waarom word ik zo gestraft?” Vol ongeloof kijkt ze ons aan vanaf haar bed op de afdeling oncologie. Op dit moment wordt er in een hospice een kamertje voor haar gereedgemaakt. Ze gaat dood, net als haar vriend die drie maanden geleden plotseling overleed. Ze kan het niet bevatten. Dit kan je ook onmogelijk bevatten.

Ik zeg haar stellig: „Er is niemand die jou straft.” Dit overkomt je, zoals we allemaal zaken moeten verwerken die we niet kunnen begrijpen en waarvoor geen reden is. Maar we willen zo graag een verklaring vinden voor wat er met ons gebeurt, vooral als het verdriet ondraaglijk is.

Ook ik voel me machteloos. Ik wil haar zo graag helpen. Maar hoe steun je iemand van wie je weet: dit komt nooit meer goed. Natuurlijk, ik luister naar haar. Ook heb ik een kaars opgestoken. Waarom eigenlijk? Wat denk ik met die kaars te bereiken? De machteloosheid duwt me naar bijgelovige rituelen. Je wilt toch wat doen.

Binnenkort gaat ze naar ‘het dodenhuis’, zoals ze het noemt. Ze wil verdorie terug naar haar eigen huis. Maar dat kan niet meer.

Een paar dagen later heeft ze wonderbaarlijk snel geaccepteerd dat ze nooit meer teruggaat naar haar gezellige huis in de binnenstad. Een vriend heeft haar verteld dat het hospice waar zij naartoe gaat fantastisch is: „Geweldige verzorgers en vrijwilligers. Ze begeleiden je daar echt hemels naar de hemel.” Dit bleken voor haar de juiste woorden te zijn. Die vriend weet hoe hij een doodzieke vrouw kan steunen.

Maar nog een dag later zegt de arts ineens: „Mevrouw, u gaat voorlopig niet naar het hospice, want uw levensverwachting is langer dan drie maanden. U gaat naar een verpleeghuis.” Goed nieuws. Maar niet voor haar. Ze zou naar een oord gaan waar ze haar op goddelijke wijze zouden ondersteunen. Bovendien stond het hospice in haar eigen buurt en moet ze nu naar een verpleeghuis dat ver weg ligt van haar vertrouwde omgeving en buurtgenoten. Hoe is het mogelijk dat ze niet gewoon naar dat sterfhuis mag?

Ze kan het niet bevatten.

Katja Teunissen