Laat Turkije niet verloren gaan voor de EU

Het pleidooi van de Britse premier voor toelating van Turkije tot de EU verdient alle steun, ook van Nederland, meent Fred van Staden.

De waarschijnlijke vorming van een VVD-CDA kabinet, dat afhankelijk is van gedoogsteun van de PVV, zal niet zonder gevolgen blijven voor de opstelling van Nederland in een aantal belangrijke internationale kwesties. Deze betreffen niet alleen de omvang van de ontwikkelingshulp, maar bijvoorbeeld ook de verdere uitbreiding van de EU, met het lidmaatschap van Turkije als heetste hangijzer. Zal het nieuwe kabinet, onder invloed van Wilders’ radicale ideeën over de politieke islam, zich aansluiten bij het anti-Turkse afwijzingsfront? Wordt het standpunt van president Sarkozy en bondskanselier Merkel dat Turkije genoegen moet nemen met een bevoorrecht partnerschap, in plaats van een volwaardig lidmaatschap, ook Nederlands beleid? Bij alle begrijpelijke zorgen over de ernst van de financiële situatie van ons land, zou het te betreuren zijn indien deze kwestie tijdens de kabinetsformatie onder het tafelkleed zou verdwijnen. Met de vraag naar de wenselijkheid van een Turks lidmaatschap is immers meer in het geding dan onze verhouding tot een zich dynamisch ontwikkelend land, dat is gelegen in een van de meest explosieve regio’s in de wereld. Het gaat er vooral om welk beeld van Europa wij in ons belang achten. Is dat een Europa dat in staat is bruggen te slaan tussen verschillende beschavingen en cultuursferen of niet.

Het vraagstuk van de Turkse toetreding tot de EU is weer actueel geworden door het krachtige pleidooi ten gunste van toetreding dat David Cameron onlangs heeft gehouden. De tussenkomst van de nieuwe Britse regeringsleider trekt extra aandacht door het ogenblik waarop hij over dit onderwerp naar buiten is getreden. De Turkse diplomatie heeft in de afgelopen maanden blijk gegeven van een groeiend nationaal zelfbewustzijn en een ongewone activiteit: betrekkingen zijn versterkt met landen in de directe omgeving (o.m. de Zuid-Kaukasus en Syrië) en tegenover Israël is Turkije een scherpe koers gaan varen naar aanleiding van de harde Israëlische reactie op pogingen vanuit zee humanitaire hulp te verschaffen aan de veelgeplaagde bewoners van de Gazastrook. In westelijke regeringskringen is ook ergernis ontstaan over het feit dat Turkije, los van de lopende inspanningen in de VN onder feitelijke aanvoering van de VS, tezamen met Brazilië heeft gezocht naar een vergelijk met Iran om paal en perk te stellen aan de nucleaire ambities van Teheran. Maar zij die in dit opzicht over de Turkse minister-president Erdogan zijn gevallen, dienen zich wel de vraag te stellen of een Turkije dat zich soms onafhankelijk opstelt maar wint aan geloofwaardigheid in zijn omgeving, niet van grotere waarde voor de westerse landen is dan een Turkije dat – zoals in het verleden – volstrekt volgzaam is. Dit argument blijft hout snijden zolang de Turkse regering voortgaat zich in te zetten voor hervormingen die zijn gericht op verbetering van de kwaliteit van de Turkse democratie en rechtsstaat.

Intussen moet worden vastgesteld dat de in 2005 begonnen onderhandelingen van de EU met Turkije over toetreding in feite al geruime tijd in een impasse verkeren. Het bijna onoplosbare Cyprus-conflict is een belangrijke oorzaak. Als gevolg van het gebrek aan voortgang in de onderhandelingen brokkelt de politieke steun in de Turkse samenleving voor toetreding af. En navenant neemt de aandrang op de Turkse regering toe om naar alternatieven voor het EU-lidmaatschap te zoeken. Binnen sommige EU-landen lijkt er al over te worden gespeculeerd dat Turkije uit gekwetste trots de onderhandelingen zal afbreken. Hier ligt de werkelijke betekenis van Camerons klaroenstoot: hij heeft duidelijk willen maken dat de nieuwe Britse regering er alles aan zal doen om de hoop op volledige deelname van Turkije aan de EU levendig te houden. Op dit punt blijken het traditionele machtspolitieke denken van de conservatieven en het euro-idealisme van de liberaal-democratische regeringspartner wonderwel samen te komen.

Europa zou zijn eigen belangen wezenlijk schaden, indien Turkije (al de zesde economie van Europa) zich als afgewezen minnaar gedwongen zou voelen afstand te nemen van de kemalistische erfenis van secularisme en pro-westerse gezindheid. Daarom verdient Cameron ook vanuit Nederland, een land dat anders dan Groot-Brittannië niet gewend is in geopolitieke termen te denken, steun. Wie zal op zijn geweten willen hebben dat in de toekomst een debat wordt gevoerd over de vraag: ‘Wie verloor Turkije?’ Misschien zal het nieuwe kabinet wat dit betreft over zijn eigen politieke schaduw moeten springen.

De vraag rijst hoe lang de onderhandelingen met Turkije zijn vol te houden, zonder dat in de tussentijd tastbare vorderingen worden gemaakt. Probleem met toetreding is dat niets definitief is voordat alles rond is, terwijl juist behoefte bestaat aan voorbeelden en resultaten van concrete samenwerking. In een recent advies doet de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) de praktische suggestie met Turkije tijdens de lopende onderhandelingen op een aantal terreinen vormen van nauwere samenwerking aan te gaan. Deze zouden niet vooruit mogen lopen op de eindconclusie over de wenselijkheid van een Turks lidmaatschap, maar er wel toe dienen de optie van dit lidmaatschap open te houden. Terreinen waaraan de AIV denkt, zijn het buitenlands en veiligheidsbeleid, de economische samenwerking (in het bijzonder de energievoorziening) en het justitie- en migratiebeleid. Alleen door ‘aan elkaar te wennen’ en de voordelen van praktische samenwerking tussen de EU en Turkije te demonstreren, kan het publiek draagvlak voor een Turks lidmaatschap, ook in Nederland, worden vergroot.

Prof.dr. Fred van Staden is hoogleraar internationale betrekkingen aan de Universiteit Leiden en lid van de Adviesraad Internationale vraagstukken. Hij was voorzitter van de werkgroep die het recente AIV-advies Het vermogen van de EU tot verdere uitbreiding voorbereidde.