In de tuin

Zomers tafereel op een kleine zwart-witfoto uit 1949, gemaakt in Bergen. Een tuin met op de achtergrond de voorgevel van een groot huis, gedomineerd door een reusachtig, in kleine ruiten onderverdeeld raam. In de tuin zitten een man en een vrouw genoeglijk bij elkaar. Zij zit in een stoel en draagt een hoofddoek, hij zit op de grond, in zijn hand een theekopje.

De vrouw was Charley Toorop, de man Adriaan (‘Jany’) Roland Holst. Zij was toen 58 jaar en had al twee attaques gehad, hij was 61. Het huis was De Vlerken, de qua vormgeving bijzondere villa die zij in 1921 met geld van haar vader en naar een eigen ontwerp had laten bouwen.

Het staat er nog steeds, aan de Buerweg 19, te midden van andere villa’s, maar het is van de weg af niet goed te zien. Alleen de voorgevel met dat merkwaardige raam is tussen de bomen zichtbaar. De huidige bewoners hebben geen behoefte aan belangstelling en waarschuwen bezoekers met de foto van een forse hond die in de kuiten zal bijten.

Zij hadden elkaar al in het voorjaar van 1918 in Amsterdam leren kennen. Ze hadden slechte relaties achter de rug, Charley zelfs met een man – Henk Fernhout, vader van haar drie kinderen – die haar mishandelde en haar schilderijen vernielde. Ze werd verliefd op Roland Holst, zoals zoveel vrouwen. Hij was haar grootste liefde tot dan toe, voor hem was het niet meer dan een erotisch geladen vriendschap.

„Het was voor Roland Holst een bekoring, maar geen grote liefde”, schrijft Jan van der Vegt in zijn biografie over Roland Holst. Hij had simultaan nog twee andere relaties. In 1921 schrijft ze hem vanuit Parijs dat ze nog steeds van hem hoopt te mogen houden. „Een vrouw vindt alleen vrede en diep geluk”, schrijft ze, „als ze kan rusten bij de man van wie ze houdt.”

Kijk, dat willen wij mannen graag horen, liefst elke dag – daarom citeer ik het ook. Roland Holst wilde het ook wel graag horen, maar niet te lang van dezelfde vrouw. Hij was nu eenmaal „uiterst zwak naar den vleeze”, zoals hij het zelf eens uitdrukte. In 1922 maakte hij een einde aan de verhouding, al bleven ze altijd vrienden.

Ze hadden diepgaande verschillen van opvatting. Roland Holst hield niet van haar werk, dat hij zelfs een verminking van het leven noemde. Haar schilderijen waren hem te ruig, hij vond dat ze ‘met haar biceps’ schilderde. Bij een doek van een vrouwelijk naakt opperde hij, dat zijn leven anders was verlopen als ‘de vrouw’ er werkelijk zo had uitgezien. Zou Charley voldoende gevoel voor humor hebben gehad om te kunnen glimlachen om zo’n opmerking?

Zij stond midden in de wereld, hij wendde zich er steeds meer vanaf. Ze verweet hem dat niet en vermoedde dat achter zijn afwijzing een ‘bittere menschelijkheid’ schuilging. „Daarin had ze geen ongelijk”, constateert Van der Vegt.

Toen zij op 5 november 1955 in De Vlerken overleed, was dat een grote klap voor hem. Hij verloor iemand met wie hij een verleden deelde en met wie hij goed kon praten. Nooit meer die tuin.

Anno 2010 is Roland Holst nog alomtegenwoordig in Bergen: een beeld in het centrum, poëzieflarden op muren. De prominentste Bergenaar. Charley Toorop blijft in zijn schaduw, maar op den duur zouden haar schilderijen het wel eens kunnen winnen van zijn verzen.