Duurzame energie vergt machtswisseling

Investeren in hernieuwbare energie is niet duurder dan vasthouden aan gangbare energiebronnen. Bovendien biedt nieuwe technologie kans op toekomstig economisch gewin. De vraag is of we machtsverhoudingen willen omkeren.

In een decennium was het bekeken toen in 1959 bij Slochteren gas werd ontdekt. In tien jaar lag er een buizenstelsel waar ongeveer 80 procent van de huishoudens op was aangesloten.

Toegegeven, de omstandigheden werkten mee. In de jaren vijftig waren kolen al op hun retour doordat olie steeds goedkoper werd. Ondernemers en overheid waren beide doordrongen van de kansen die de gasvondst Nederland bood. De overheid claimde gasinkomsten en durfde de mijnen te sluiten. Er was weinig bestaande infrastructuur: de gasleidingen konden meteen worden ingebouwd in de huizen die werden hersteld of nieuw gebouwd. De welvaart groeide en daarmee het verlangen naar comfort, zoals verwarming in elke kamer – tot dan een ongekende luxe.

Klimaatverandering en toenemende energieonzekerheid dwingen Nederland opnieuw tot zo'n omslag. Maar welke kant moet het op? Inzetten op ondergrondse opslag van CO2 en kerncentrales? Of is dat niet duurzaam en ligt een omschakeling naar hernieuwbare energie uit wind, zon en biomassa meer voor de hand?

De overheid staat op een tweesprong, constateerde de Energieraad dit voorjaar. Ze besloot tot de aanleg van vier nieuwe kolencentrales en debatteerde over kernenergie en CCS, de ondergrondse opslag van CO2. Maar ze besteedde sinds 2004 ook twee miljard aan het programma EnergieTransitie, waarin bijna vijfhonderd projecten voor duurzame elektriciteit, biogas of groene grondstoffen worden ondersteund.

Om Europese afspraken over de beperking van CO2-uitstoot te halen, is vastgelegd dat over tien jaar 20 procent van de verbruikte energie afkomstig moet zijn uit duurzame bronnen. Nu is dat pas 3 procent. Daarmee behoort Nederland tot de achterhoede in West-Europa. Het sterke gasregime dat Nederland decennia lang voordelen opleverde, werkt nu vertragend, zegt Jan Rotmans, een klimaatwetenschapper die zich heeft gespecialiseerd in maatschappelijke omslagen. Sinds 2004 is hij hoogleraar Duurzame Transities aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. „Momenteel is de hele maatschappij ingericht op het beschermen van het stelsel dat na de Tweede Wereldoorlog tot stand is gebracht. Toch zie je de vernieuwers door de regelgeving heen breken. Overal duiken pioniers op, vooral in het MKB, in samenwerking met regionale overheden. De rijksoverheid loopt hierbij achter.”

Naar schatting tienduizend ondernemers in Nederland houden zich inmiddels bezig met duurzame vindingen, zoals energiezuinige nieuwbouwwoningen, mestvergisting, elektrisch vervoer of zoiets specialistisch als raffinage van gras, dat aminozuren oplevert voor chemicaliën. Lokale overheden, vooral op de Waddeneilanden en in Utrecht, Flevoland en Noord-Holland, zetten al vergaand in op wind en zon.

Investeren in een hernieuwbare energiehuishouding is niet kostbaarder dan de fossiele methode om Nederland in 2050 van energie te voorzien, bleek deze week uit de kosten-batenanalyse van SEO Economisch Onderzoek, een onderzoeksbureau dat is gelieerd aan de Universiteit van Amsterdam. Zowel het ‘fossiele’ scenario (kernenergie, CCS) als het ‘hernieuwbare’ (wind, zon, biomassa) vergt grote investeringen, maar levert ook nieuwe banen op. „Bij beide routes overstijgen de baten tot 2050 de kosten”, zegt econoom Carl Koopmans, onderzoeker bij SEO.

Het Regieorgaan EnergieTransitie, dat opdracht gaf tot het SEO-onderzoek, ziet dit als een argument om voor hernieuwbare energie te kiezen: „De maatschappelijke baten daarvan zijn groter. We moeten alles doen om de energievoorziening, de leveringszekerheid en het klimaat in de toekomst veilig te stellen,” zei directeur Theo Walthie eerder in deze krant.

Voorstanders van hernieuwbare energie claimen dat Nederland in 2050 zelfs 100 procent op hernieuwbare energie kan draaien. In een opmerkelijk staaltje politieke samenwerking zetten leden van de duurzaamheidscommissies van vrijwel alle politieke partijen, ook CDA en VVD, eerder dit jaar de daarvoor benodigde maatregelen op een rij. In Nederland krijgt nieuwe energie pleiten de commissieleden voor een Deltaplan, een wet die zo'n transitie een definitieve zet vooruit zou geven. Op internet heeft het bijbehorende burgerinitiatief bijna de grens van veertigduizend benodigde handtekeningen bereikt om het op de agenda van de Tweede Kamer te krijgen. „Energie-innovatie krijgt in Nederland onvoldoende ruimte doordat EZ haar fossiel georiënteerde beleid veel te eenzijdig richt op de belangen van een kleine, maar machtige groep grote bedrijven,” zegt Marco Witschge (D66), de initiator van dit politieke overleg. „Terwijl het MKB de broedplaats van clean tech en schone innovaties is.”

Alleen al de tien miljard die het rijk jaarlijks aan gasbaten ontvangt, zorgt voor een ambivalente houding bij de overheid, zegt Jan Rotmans. Dat neemt niet weg dat het rijk de afgelopen jaren ondernemers die inzetten op duurzaamheid heeft bijgestaan, zoals in het EnergieTransitie programma dat in 2004 van start ging en eind dit jaar afloopt. De meest belovende bedrijven werden door Caroline van Leenders van Agentschap NL (onderdeel van Economische Zaken) onlangs samengebracht in het boek Tekens van Transitie. Een hernieuwbare energiehuishouding, zo blijkt, heeft een heel ander karakter dan het huidige fossiele energieregime. Hernieuwbaar betekent een breuk, niet alleen met bestaande infrastructuur maar ook met ingesleten gewoontes en gevestigde belangen. Het huidige energiestelsel is centralistisch. Een hernieuwbaar stelsel is decentraal en leunt op een mix uit zon, wind, biomassa en besparende systemen zoals energie uit gebouwen en warmtekrachtkoppeling (WKK).

Door het in kaart brengen van succesvolle bedrijven kreeg Van Leenders een goed beeld van de problemen waar pionierende ondernemers mee te maken krijgen. „Er zit bij voorbeeld een spanning tussen open source en standaardisatie,” zegt ze. „Grote energiebedrijven bieden gemeentes bijvoorbeeld aan de stad vol te zetten met oplaadpunten. Maar zo krijgen ze een monopoliepositie. Het is zaak dat een overheid daar verstandig mee omgaat, want je als je er zonder meer op ingaat, krijgen kleine vernieuwers geen kans meer.”

Een ander probleem is dat pioniers die op andere manieren willen samenwerken, opbotsen tegen mededingingsbeleid. Van Leenders: „Als de nieuwe minister van milieu een duurzame overheid wil, loopt hij of zij direct tegen de eurocommissaris van Mededinging aan. Op een fundamenteler niveau zit er een spanningsveld tussen samenwerking en concurrentie dat nu opnieuw verkend moet worden, omdat verduurzaming andere vormen van samenwerking en andere verhoudingen vergt.”

‘Een transitie is altijd ook een machtswisseling,” zegt hoogleraar Rotmans. „Daarom moet de overheid het aandurven om te werken met pioniers. Zij moet durven in te zetten op wat groot kan worden, niet alleen op wat al groot en sterk is.” Om het speelveld gelijker te maken oppert hij het idee van een ‘transitiewet’. „Bestaande afspraken en structuren, zoals belastingvoordelen en vergunningen vormen een grote hinderpaal voor nieuwkomers. Waarom geen transitiewet die verplicht tot een bepaalde innovatieruimte binnen contracten en regels, zodat pioniers een beroep kunnen doen op vrijstellingen? In de crisis- en herstelwet zitten ook allerlei ontheffingen.”

De SER pleitte recentelijk voor meer overheidsdwang, zoals verplichtingen op het gebied van duurzaam energie- en materiaalgebruik. Het plan van de partijcommissies heeft nog steviger maatregelen in petto: een Deltawet Nieuwe Energie in 2011 met daarin verplichtingen voor besparing en het aandeel hernieuwbare energie, een groen belastingstelsel volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’ en een verbod op verspillende producten.

Maar allereerst, zeggen betrokkenen, moet er een fundamentele politieke keuze gemaakt worden: die tussen grijze en groene energie. Met de coalitie CDA-VVD plus gedoogsteun van de PVV in de maak, lijkt de optie ‘groen’ vooralsnog uit beeld verdwenen. Voor de korte termijn is Witschge van Nederland krijgt nieuwe energie dan ook niet optimistisch. „Hernieuwbare energie is een piketpaaltje geworden, iets om politiek mee te scoren. Toch ben ik ervan overtuigd dat ook de rechtse partijen uiteindelijk zullen erkennen dat hernieuwbare energie geen linkse hobby is, maar een realistisch economisch perspectief.”

De nationale politieke afweging wordt ondertussen gerelativeerd door de onderzoekers van het SEO, die er in hun rapport op wijzen dat veel afhangt van het buitenland. Een Alleingang van Nederland valt duurder uit dan wanneer ons land kan inhaken op internationale ontwikkelingen en technologieën. „Veel hangt af van de hoogte en de stabiliteit van de olieprijs, en van wat de wereld op het gebied van het terugdringen van CO2 uitstoot gaat doen,” zegt econoom Carl Koopmans van SEO.

Marco Witschge begrijpt daar niets van: „Terwijl in Nederland nog gediscussieerd wordt over wel of geen windmolens, is men wereldwijd al volop aan de slag. Het laatste waar we bang voor hoeven te zijn is een Alleingang. Het gevaar is dat we niet op tijd aanhaken.”