De vroege oermens sneed al zelf het vlees

De menselijke voorouder Australopithecus was geen verstokte planteneter. Hij at wel vlees en gebruikte zelfs scherpe snijstenen. Maar er zijn ook twijfels. ‘Dit zijn krokodillensporen!’

Een tiental krassen en een paar verbrijzelingen op twee kleine botten, dat is alles. Een stuk rib en een stuk dijbeen die ooit van een koedoe, een gems of een andere holhoornige waren. Allebei gevonden tussen miljoenen fossiele botten die aan de oppervlakte liggen in Dikika, in het Ethiopische Hadar-gebied. Die vallei van de rivier de Awash is waarschijnlijk de best onderzochte hotspot voor de menselijke evolutie. Aan de overkant van de rivier is ooit Lucy gevonden.

En die paar krassen vervroegen nu het eten van vlees en het gebruik van werktuigen door mensachtigen met bijna een miljoen jaar, volgens een team van onderzoekers dat het resultaat van de analyses vandaag prominent publiceert in het tijdschrift Nature.

Conclusie: 3,4 miljoen jaar geleden heeft daar aan de oever van de Awash een Australopithecus afarensis met een scherpe steen vlees van de botten af zitten krabben. En opgegeten. Het is wel zeker dat de snijsporen gemaakt zijn door de soort Australopithecus afarensis (waartoe ook Lucy behoort) omdat dit de enige mensachtige is die in deze periode uit dit gebied bekend is.

Het is een belangrijke vondst. Want de nog chimpansee-achtige maar al wel rechtoplopende Australopitheci, die leefden van ruwweg 4 tot 2 miljoen jaar geleden, werden tot vandaag altijd beschouwd als echte vegetariërs die veel tijd moesten besteden aan het verteren van plantenmassa. Pas door het eten van het voedzame vlees kwam de energie vrij voor groei van de energievretende hersenen, aldus de belangrijkste theorie over het ontstaan van het geslacht Homo (ca. 2,5 mljn jaar geleden, zie kader). Nu blijkt het vleeseten en gebruik van stenen messen toch veel eerder te zijn begonnen.

„Ik denk overigens niet dat afarensis al zelf gereedschappen maakte”, vertelt de archeoloog Curtis Marean (Arizona State University) die verantwoordelijk was voor de analyse van de snijsporen. Tot nu vielen de dateringen van de oudst bekende werktuigen (uit het Ethiopische Gona, 2,6 miljoen jaar oud) en de oudst bekende snijsporen (uit het Ethiopische Boura, 2,5 miljoen jaar oud) min of meer samen. „Afarensis heeft hier gewoon een scherpe steen gebruikt die hij had opgeraapt van de grond. Maar goed, als je zo’n opgeraapte steen ergens voor gebruikt is het ook een werktuig geworden”, zei Marean gisteravond door de telefoon. „En hij heeft de steen ook van een paar kilometer verderop meegenomen. Ter plekke lagen ze toen niet.”

De verre menselijke voorouder maakte diepe en krachtige sporen met zijn primitieve werktuig, viel Marean op. „Het lijkt me erg onwaarschijnlijk dat afarensis deze dieren zelf heeft bejaagd. Het gaat ongetwijfeld om aaseten. De botten waren de resten van de maaltijd van een ander dier, met nog wat verdroogd vlees eraan. Dat los krijgen is hard werken.” Mareans conclusie: „We kijken hier aan tegen het allereerste begin van vlees eten en van gereedschapgebruik. Dat is een veel langer proces geweest dan we tot nu toe dachten.”

Hoe váák de gepatenteerde vegetariër afarensis al vlees at, weet Marean niet. „Niemand lette op dit soort sporen die moeilijk te onderscheiden zijn van gewone roofdierbeten of natuurlijke schade. Ik denk dat we voortaan met een microscoop het veld in moeten. Dan pas krijgen we een overzicht.”

Niet iedereen is overtuigd van de waarde van de snijspoortjes op de stukjes bot. Verderop in Amerika, in Berkeley bij San Francisco, klinkt hoongelach in de werkkamer van Tim White. White is leider van een ander onderzoeksproject in hetzelfde gebied in Ethiopië en een van de meest vooraanstaande menselijke evolutieonderzoekers van dit moment. In de jaren zeventig werkte hij al mee aan de vondst van Lucy en sindsdien kon hij vele belangrijke vondsten op zijn naam schrijven (zoals Ardipithecus, Australopithecus garhi, Homo sapiens idaltu). „Dit is ongelofelijk. Ik zie er gewoon krokodillenbeten in, in deze krasjes. En ik ben niet de enige hoor! En dat zetten ze dan op de cover van Nature. Hahaha!” En inderdaad, op de foto’s uit experimenten waarbij krokodillen onder wetenschappelijk toezicht op dierenbotten knauwden, lijken de krokodillenkrasjes best op die uit Dikika. „En waar zijn dan de werktuigen waarmee afarensis ze zou hebben gesneden? Nooit hebben we iets gevonden in de lagen uit deze periode. Dit soort buitengewone claims hebben veel betere bewijzen nodig.”

Maar Marean, zelf ooit opgeleid aan Berkeley (‘ik heb veel respect voor Tim’), wijst deze kritiek af. „Ik ben zelf naar Rutgers University geweest, om te kijken naar die botten met krokodillenbeten. Maar ik zie vooral de verschillen. En wat dacht je, dat de reviewers van Nature hadden zitten slapen? En dat niemand ooit de snijstenen heeft gevonden is óók logisch. Wij denken dat het natuurlijke scherpe stenen zijn geweest. En iedere archeoloog wordt geleerd om die onmiddellijk terzijde te leggen in veldwerk. Iedereen zoekt alleen naar door mensachtigen veranderde stenen. Ik denk dat ook Tim voortaan anders moet gaan werken.”