Van een speelgoed-loopapparaat leren ze niks

Fysiotherapeut Hendrik Kok bezoekt patiënten aan huis. Kinderen, volwassenen. Bij de een komt hij een paar keer. „Veel ouders zijn overbezorgd.” Een ander behandelt hij al tien jaar, als een soort zoon.

Haci Ahmed ligt te slapen. Het ziet er vreemd uit: een slapende baby die een harde, lichtblauwe helm draagt. In de woonkamer zet zijn moeder oploskoffie op tafel voor de fysiotherapeut. „Zeg maar dat ze hem wakker moet maken”, zegt Hendrik Kok (59), de fysiotherapeut, tegen tante Gülsen. Tante Gülsen vertaalt in het Turks. Moeder zet Melissa (2) neer en wekt Haci Ahmed.

Haci Ahmed draagt sinds zes weken 23 uur per dag een helm die, als een soort beugel, zijn hoofd moet rechttrekken. Hij is elf maanden oud. Zijn hoofd is plat van achteren, zijn schedel zichtbaar scheef. Dat komt doordat hij sinds zijn geboorte vrijwel alleen op zijn rug heeft gelegen.

Elke week komt Hendrik Kok zijn hoofd opmeten. Hij stelt vandaag vast dat het al wat rechter wordt. Aanvankelijk moest Haci Ahmed erg huilen van de helm, zijn hoofdhuid had rode plekken. Maar nu gaat het goed, zegt tante Gülsen.

Hendrik Kok heeft in zijn Amsterdamse werkgebied dit jaar al dertig hoofdjes opgemeten. Scheve hoofdjes zijn een betrekkelijk nieuw probleem. Om wiegendood te voorkomen, leren ouders dat een baby altijd op zijn rug moet slapen. Maar baby’s slapen van nature op de buik. En dus krijgen veel kinderen, van het rugliggen, platte en scheve hoofdjes.

Zijn scheve hoofd is nog wel Haci Ahmeds kleinste probleem, vertelt Kok. Hij is te vroeg geboren (met 32 weken), heeft gehoorapparaatjes en een ontwikkelingsachterstand. Zijn zusje Melissa en zijn vader hebben dat ook.

Haci Ahmed wil nooit op zijn buik liggen, wat goed is voor de spierontwikkeling, ook niet wanneer hij wakker is. Hij rolt dan prompt weer op zijn rug. Maar, en dát is een lichtpunt, hij beweegt zich sinds kort, op zijn rug, door de hele woonkamer heen. Hij wíl dus ergens naartoe. En hij kijkt mensen nu ook aan, al lacht hij nog niet. De meeste kinderen van elf maanden kunnen zitten, kruipen, spelen, soms al lopen. Zijn zusje van twee spreekt nog niet.

De verschillen binnen de familie van Haci Ahmed zijn groot. Er zijn de vertalers, zegt Hendrik Kok, zoals tante Gülsen – een vlotte, slanke vrouw van 27 die vlekkeloos Nederlands spreekt. Ze is juf op de basisschool. En er zijn de mensen voor wie vertaald wordt. Zoals haar broer, de vader van Haci Ahmed, en zijn vrouw. Hij is 32 en werkt in de sociale werkvoorziening. Hij verstaat Nederlands, maar spreekt het slecht. Zijn vrouw is vier jaar geleden uit Turkije naar Nederland verhuisd om met hem te trouwen. En eigenlijk om voor hem te zorgen. Zij spreekt geen Nederlands.

Maar ze kan goed koken, zegt Gülsen. En oma en een hulpverlener van MEE, dat mensen met een beperking ondersteunt, houden een oogje in het zeil. Als moeder naar taalles gaat, past oma op Melissa en Haci Ahmed. De woning in Amsterdam-Oost is zo’n 60 vierkante meter, maar heeft drie slaapkamertjes: een blauwe voor Haci Ahmed en een roze voor Melissa. Volgens Kok móét hij deze patiënt thuis opzoeken omdat er anders niks van de behandeling komt.

Hendrik Kok is gespecialiseerd in fysiotherapie voor kinderen, hij ziet ongeveer veertig baby’s en kinderen per week. Sommige kinderen worden naar hem verwezen door de kinderarts. De helft van de kinderen die hij ziet, zijn ‘consultvragen’ – dan zijn ouders of consultatiebureau bezorgd over de motorische ontwikkeling van het kind. Vaak is hij na drie bezoekjes klaar. „Veel ouders zijn overbezorgd.”

Zoals het Birmese stel dat hij vandaag bezoekt. In een piepklein huis, een pijpenla. De huiskamer is tegelijk de slaapkamer. Daar wonen vader (40), moeder (23) en een meisje van 15 maanden. Tot wanhoop van haar ouders loopt ze nog niet. Er staat een felgekleurd speelgoed-loopapparaat in de hoek. Kok: „Dat kun je beter niet gebruiken, daar leren ze niks van.”

De moeder geeft toe dat ze het meisje ook amper durft los te laten uit angst dat haar iets overkomt. Hendrik: „Ik zeg altijd: laat je kind los, laat het klimmen en ontdekken. Als ze iets niet kunnen, doen ze het niet.”

Toch kruipt het meisje al een stuk behendiger dan een maand geleden, zegt Hendrik. „Ik hoef niet meer te komen.”

Verderop, in een beter deel van de wijk, ligt Erik op bed. Een vrouwelijke collega van Hendrik komt twee keer per week langs om zijn verlamde linkerarm en been ‘door te bewegen’. Zodat de gewrichten niet stijf worden. Hendrik komt om met Erik lopen te oefenen.

Erik (51) glimlacht veel en vertelt over de dagactiviteiten waar hij twee keer per week heen gaat om te sporten en te socializen. „Victor!”, roept de fysiotherapeut opeens, omdat Erik met zijn goede hand naar zijn kruis grijpt, „hij moet plassen!”

Victor (52), de broer van Erik, komt aangesneld: hij geeft zijn broer een schone urinefles.

Vroeger was Erik een gezonde half-Surinaams, half-Nederlandse jongen in een groot, gezellig gezin. Hij zat op boksen en judo, ging naar de lts. Totdat, op zijn veertiende, zijn amandelen werden geknipt. Er ging iets fout met de narcose. Hij hield er epilepsie aan over. Het ziekenhuis dacht dat hij een hersentumor had. Ze maakten zijn schedel open, vertelt zus Nicola (54), die ook voor hem zorgt – „zijn mooie afro werd eraf geschoren”. Maar veel erger: ze beschadigden zijn hersenen waardoor zijn linkerkant verlamd raakte. „Daar ging zijn leven. Zijn vriendin maakte het uit, hij kon niks meer. Hij was een hele tijd depressief.”

Verhaal halen bij artsen die een fout maken, gebeurde in die tijd niet.

Sindsdien woont Erik thuis, bij zijn moeder en stiefvader. Fysiotherapeut Hendrik komt er al tien jaar, elke week. Moeder overleed kort geleden en vlak daarvoor zei ze: Hendrik, blijf komen, want voor jou is Erik een soort zoon.

Het hele gezin spant zich voor Erik in, ook de broer en zus die een paar kilometer verderop wonen. De woningcorporatie heeft het huis aangepast: hij kan met zijn rolstoel door alle deuren en manoeuvreren in de badkamer.

Hendrik gaat, zoals elke week, met Erik ‘lopen’ door de woning. Dat is topsport. Erik, een grote vent, leunt op Hendrik en op een stok. Traag, maar met opperste concentratie en een vurige blik in zijn ogen, zet hij het ene been voor het andere. Zijn hoofd wiebelt, zijn verlamde arm bungelt, maar hij zál vooruit komen. Erik heeft één grote ambitie, zegt zijn zus Nicola: weer lopen.