Oostindisch zwijgen

‘Hij heeft voor zijn ogen gezien dat zijn moeder werd onthoofd”, zegt de oudere indo lachend. Hij praat met een licht Indisch accent. We staan met zijn vieren in de lift naar boven en kijken naar de man die zijn moeder heeft verloren.

Hij moet een jaar of tien ouder zijn dan ik. „En daarna is hij, zeg maar, een beetje getikt geworden.” Weer lacht de oudere Indo.

We zijn op weg naar een commissie die Indisch oorlogsleed meet en uitkeringen uitdeelt. De man en zijn neef zijn voor ons.

Er werd vaak gelachen thuis, bijvoorbeeld over die keer in Batavia dat oom Dikkie er op uit werd gestuurd om zijn broertje te zoeken. Toen hij hem had gevonden, zei hij: „Kom gauw mee, mamma is dood”, en reed met een brullend kind op de fiets naar huis.

Later nam oom Dikkie, toen hij toevallig in Nederland was, dienst bij de Wehrmacht. Zijn broertje kon Indië ontvluchten en werd soldaat bij het Amerikaanse leger. De grootste vrees van de broers was elkaar op het slagveld tegen te komen. Lachen.

Humor was ook mijn moeder niet vreemd. We waren nog niet zo lang in Nederland en ik liep haar uit school tegemoet. Ze kwam met een vriendin aanlopen.

„Wie is dat kind?”, zei mijn moeder tegen de vriendin. „Ken jij hem? Ik ken hem niet” en liep lachend door.

Nu is ze niet in de stemming voor grapjes. Wat haar in de oorlog is overkomen, heeft ze pas onlangs verteld.

Er is zoveel waarover niets wordt verteld. Twee Indo’s komen op bezoek bij mijn vader. Zijn vrouw fluistert: „Laat ze maar even alleen.” Ik hoor nog net gedempt gelach en: „Ja, Loek (mijn vader) durfde altijd alles”.

Ze hebben met hem in het kamp gezeten. Wat hij durfde, heeft hij nooit willen vertellen.

Soms begrijp je waarom. Zoals bij de commissie. Vier keurige Hollandse heren knikken ons toe.

Als mijn moeder met horten en stoten haar verhaal heeft verteld en antwoord op pijnlijke vragen heeft gegeven, en nog meer heeft verteld, zegt de voorzitter uiteindelijk: „Ja, we geloven onvoorwaardelijk dat het waar is wat u vertelt, maar het is niet te bewijzen natuurlijk.”

De commissie lacht ons bij het afscheid vriendelijk toe. Ook wij nemen glimlachend afscheid. Een uitkering zit er duidelijk niet in.

„Waarom heb ik ze dit verteld”, mompelt mijn moeder zacht voor zich uit in de lift naar beneden.