Onbevattelijke moord

Is kindermoord te bevatten? De vondst van vier babylijkjes en de aanhouding van een jonge vrouw brengen een heel Fries dorp en half Nederland in rep en roer. Gemeente en Openbaar Ministerie houden een informatiebijeenkomst, hoewel de politie nog niet klaar is met het onderzoek en een strafzaak nog moet beginnen. Alle reden dus om de verdachte voor onschuldig te houden tot het tegendeel bewezen is.

Maar van misdrijven tegen kinderen, zeker pasgeborenen, schrikken we meer.

In Nij Beets en daarbuiten heerst ongeloof. De vragen reiken dieper dan de omstandigheden van de verdachte en haar familie. Die behoren niet besproken te worden voordat de rechter heeft geoordeeld. En daarna alleen terughoudend, voorzover er lessen uit te trekken zijn.

Bij babymoord gaat het om de condition humaine – waartoe is de mens in staat en hoe is dat eigenlijk mogelijk? Niemand weet hoe vaak moeders hun pasgeborenen weg maken: neonaticide wordt moeilijk ontdekt. Niemand mist immers een mens wiens bestaan nog niet bekend was. Maar dát het voorkomt, staat vast. Er is zelfs een apart wetsartikel voor babymoord. De moeder die „onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling [...], haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven berooft” wordt bedreigd met een celstraf van „ten hoogste negen jaren” (art. 291, Wetboek van strafrecht).

Deskundigen houden het op een enkele keer per jaar. Amnesty International neemt een marge aan van één miljoen tot honderdduizend jaarlijks wereldwijd. Gerlof Leistra en Paul Nieuwbeerta registreerden in het boek Moord en doodslag in Nederland over de periode 1992-2001 vijf gevallen. De daders zijn vaak jong, alleenstaand en leiden een geïsoleerd bestaan. Maar lang niet altijd. Sommigen hebben duidelijk problemen, anderen op het eerste gezicht helemaal niet. Als oorzaken wordt vaak een combinatie van persoonlijke en sociale factoren aangeduid. Schaamte, verdringing, depressie, angst, wanhoop. Bevallen gebeurt per definitie in het geheim, in de grootste eenzaamheid. De pasgeborenen worden meestal door onderkoeling, verdrinking of verstikking om het leven gebracht. Deze moeders houden regelmatig hun dode baby’s min of meer bij zich, wat zowel wijst op hechting als op een stoornis.

Ten minste één onderzoeker, de Amerikaanse psycholoog Steven Pinker, plaatste babymoord in 1997 in The New York Times in de context van evolutionair gedrag. Babymoord zou ooit een vorm van ‘triage’ geweest kunnen zijn, primair selectiegedrag van moeders die de kans op overleven en nageslacht calculeren. Dan is babymoord een late abortus. Het kind wordt om sociaal-biologische redenen achtergelaten. Zo bezien heeft babymoord diepe wortels. Eeuwen van culturele programmering kunnen in extremis opzij worden gezet door instinctief gedrag.

Een gewenst kind baren kan al traumatisch zijn. Deze moeders hebben, los van het rechterlijk oordeel, vooral hulp nodig en veel compassie.