Klaar met de spartaanse trainingen

Sharon van Rouwendaal kreeg haar opleiding deels in Frankrijk, maar moest daar veel te hard trainen.

Bij de EK langebaan zwemt ze voor haar geboorteland.

Ze is pas zestien, maar ze was al hard aan rust toe toen ze Frankrijk vorig jaar verliet en zich vestigde in Nederland. Het leek er even op dat het toptalent Sharon van Rouwendaal verloren zou gaan voor het Nederlandse zwemmen. Maar een jaar geleden was ze ineens helemaal klaar met de Franse zwemcultuur, de krankzinnig lange uren en de straftrainingen. „Ik moest veel te hard trainen. Ik had altijd last van spierpijn”, zegt de in Baarn geboren zwemster, die deze week debuteert op de EK langebaan, in Boedapest. Voor Nederland.

En hoe. Gisteravond werd de tiener in het Alfréd Hajós stadion in haar eerste grote finale, de 200 meter rugslag, vijfde. En met 2.11,56 bleef ze maar 0,08 seconden verwijderd van het nationale record. „Ik was ’s nachts wel vijf keer wakker geworden”, erkende ze. „Ik heb die race honderd keer gezwommen van tevoren.”

De zwembond (KNZB) reageerde vorig jaar razendsnel toen bleek dat Van Rouwendaal – toen pas vijftien – ontevreden was over haar zwemleven in Frankrijk. Na haar eerste slagen bij zwemclub De Duinkikkers in Soest was ze met haar ouders van ’t Gooi naar Zuid-Frankrijk verhuisd. In Narbonne groeide ze uit tot een van de grootste beloften van het Franse zwemmen. Het nieuwe phénomène aquatique werd in de media zelfs vergeleken met de Franse zwem- en societyster Laure Manaudou, die net als Van Rouwendaal een Nederlandse moeder heeft. Misschien is het geen toeval dat de olympisch kampioene van 2004 na een korte carrière vorig jaar op 22-jarige leeftijd stopte – opgebrand.

De omgang van Van Rouwendaal met haar Franse trainer, Alexis Pannier, werd stroever toen ze in contact kwam met de andere kant van het topzwemmen: de Nederlandse slag. Ze werd uitgenodigd voor haar geboorteland uit te komen op de jeugd-EK’s en brak vervolgens het ene na het andere record, waaronder belegen tijden uit 1981, van zwemsters als Annermarie Verstappen. Belangrijker was dat ze leerde dat de Nederlandse zwemcultuur compleet verschilt van de Franse, waar spartaanse trainingen, ook voor junioren, de basis moeten vormen voor gouden medailles.

Met zachte stem beschrijft Van Rouwendaal hoe ze in Zuid-Frankrijk werd geleefd door coaches die haar weinig tot geen ruimte gaven voor een eigen inbreng. „Als we na een wedstrijd ’s avonds voor twaalven thuiskwamen, moesten we de volgende ochtend alweer om zes uur trainen. Als we na middernacht terug waren hoefden we pas om zeven uur te trainen. Normaal zou je zeggen: neem een ochtendje vrij, maar dat gebeurde niet.” En als het even wat minder ging, kon ze terugkomen voor een extra training.

Haar valkuil was dat ze onder Pannier enorme sprongen maakte. Ze specialiseerde zich op talloze nummers en bijna alle slagen, van de 100 meter rugslag tot en met de gruwelijke 1.500 meter vrije slag. „Doordat ik heel erg vooruitging vond ik het ook leuk om veel te trainen. Maar ik had altijd pijn. En uiteindelijk werden mijn tijden ook niet meer beter.”

Ze vertelde haar coaches dat ze de langste nummers, de 800 en 1.500 meter vrije slag, niet meer zag zitten. „Ik vond het saai worden en ik moest er heel veel voor trainen. Maar ik mocht ook niet echt kiezen van mijn trainers. Ze zeiden: zwem jij die nummers maar, daar ben je goed in.”

Hoe anders was dat in Nederland, waar zwemtrainers liever werken met gemotiveerde sporters. „In Nederland mag ik kiezen welke nummers ik wil zwemmen. Ik ben uiteindelijk overgestapt naar Nederland omdat ik minder wilde trainen.”

De definitieve breuk met Frankrijk kwam tijdens de Franse nationale kampioenschappen in Montpellier, vorig jaar, en was geen plezierig afscheid. Ze had net een loodzware Swim Cup gezwommen in Nederland, met negen nummers, toen ze zich een week later bij haar trainer meldde. Ze wilde een aangepast programma zwemmen, maar haar trainer bleef aandringen. „Hij zei: doe ook nog even de 1.500 meter, daar doen er maar twee mee. Ik zei: nee, dat wil ik niet, ik heb vorige week al zoveel gezwommen. Toen ben ik weggegaan, naar een camping in de buurt waar mijn ouders ook zaten. Mijn coach bleef aandringen dat ik moest zwemmen. Toen heb ik gezegd: na dit toernooi ben ik weg en kom ik niet meer terug.”

Inmiddels woont ze in Eindhoven. Van haar huidige coach Jacco Verhaeren mag ze zwemmen wat ze wil. „Het gaat heel anders in Nederland. Je zwemt korter, maar intensiever. Ik ben veel minder gaan trainen, maar ik doe nog genoeg om de 400 vrij te kunnen zwemmen. Het bevalt goed, het is veel rustiger. Ik zie weer verbetering. Ik ben opgelucht.”

De lange nummers heeft ze laten vallen, maar stilzitten zal Van Rouwendaal nooit. Ze komt deze week nog uit op de 100 meter rugslag en de 200 en 400 meter vrije slag. Hoe veelzijdig ze is blijkt uit haar persoonlijke records: op negen van de zeventien zwemdisciplines behoort ze tot de Nederlandse toptien aller tijden.

Op 9 september viert ze pas haar zeventiende verjaardag.