Grijs en jong

Charley Toorop liet zich niet vinden. Tevergeefs zocht ik op de Algemene Begraafplaats van Bergen naar het graf van deze befaamde schilderes, die in 1955 in dit dorp was gestorven. Ze had er, met onderbrekingen, vanaf 1922 gewoond.

De mens die niet vindt kan iets koppigs krijgen. Ik bleef zoeken. Het was een warme zondagmiddag, de lucht trilde boven de graven, maar ik versaagde voorlopig niet. Ik had toch altijd van haar schilderijen genoten? Dan moest ik er nu ook maar iets voor overhebben – beschouw het als een postume hommage.

Ik werkte, soms half struikelend, hele vakken vol zerken af. Voor moeilijk leesbare namen moest ik telkens diep door de knieën. Een toevallige ooggetuige zal vermoed hebben dat ik alvast een mooi plekje voor later zocht.

Zou haar graf misschien overwoekerd zijn? Eén graf was vrijwel ontoegankelijk, het was volledig begroeid met mos en onkruid. Zou dat het zijn? Ik haalde mijn handen open aan stugge, stekelige struiken op de zerk . Eindelijk een naam: mevrouw T. Wijkniet, drie jaar eerder dan Charley overleden. Wijkniet – net als haar naam moest dit graf een protest tegen de dood zijn.

Ik gaf het op. De volgende dag belde ik naar de begraafplaats. Was haar graf misschien geruimd? Welnee, meneer, zo’n graf wordt niet geruimd, zei de beheerder, het is van de gemeente. Had ik het graf van Adriaan Roland Holst gezien? Nou, Charley lag in het vak ervoor, inderdaad moeilijk zichtbaar, want ‘onder donkere dennen’.

Ik ging opnieuw naar de begraafplaats en de beheerder nam me mee naar een platte grauwe steen. Daar lag ze dan. Onder haar naam en de cijfers 1891-1955 was een kwatrijn van Roland Holst gebeiteld, waarvan alleen de eerste twee regels nog leesbaar waren: Zij die den Dood verbeten kamp bleef geven,/ werd, onverslagen, uit dat nauw gedreven. De laatste regels moest ik later in een bundel opzoeken: Die vijand had haar lief: grijs en weer jong/ lag, op zijn bed, zij doodstil nog te leven.

De dichter had haar op haar sterfbed opgezocht en ze had nog een jonge, vitale indruk op hem gemaakt. Zo was ze ook altijd geweest.

Twee beroertes kreeg ze in haar laatste levensjaren, praten kon ze nog slechts met grote moeite, maar ze bleef doorwerken – ze week niet.

Ze was een gedreven, eigenzinnige vrouw, een sterke persoonlijkheid met een gevoelige inslag. In Werken op papier, een boekje met onbekende tekeningen van Charley, vertelt Annie Bruin, ooit haar dienstbode, hoe ze voor haar verjaardag een tekening van haar opa had gevraagd. „Zo jij weet wel wat je vraagt”, zei Charley. Annie zei vlug dat ze een ochtendjas ook mooi zou vinden. Maar Charley kwam haar opa tekenen en gaf later ook nog een ander cadeautje: een mooie, zijden ochtendjas.

Toen ik haar graf had bekeken, liep ik nog even door naar dat van Roland Holst, zoveel zichtbaarder in een hoek van een vak, vlak langs een voetpad, gelegen. Op zijn steen de vermaarde regel: Wat was, is geweest. De steen was zwaar verweerd, maar zo schijnt hij het ook gewild te hebben. (Even verderop lag, nóg zichtbaarder, Lucebert onder een blauwgele schreeuw van steen.)

Ruim twintig jaar had Roland Holst zijn vriendin overleefd. Hoe goed hadden deze twee beroemde Bergenaren elkaar gekend? Daarover morgen meer.