Een bierbrouwer! Daar doe je 't voor

Deze zomer duikt nrc.next in het verenigingsleven.

Vandaag: de Nederlandse Genealogische Vereniging. „Hoe oud zijn ze geworden? Hoeveel kinderen hadden ze?”

Het verenigingsgebouw van de Nederlandse Genealogische Vereniging – kortweg NGV – lag op een kwartier lopen van station Weesp. Ik werd begroet door Marius Krooswijk (68), de secretaris van de vereniging, een man met een grijze baard en een vriendelijk gezicht. Hij ging voor naar een kamer, waar alles grijs en opgeruimd was. Op het bureau een oud model computer.

Hij bracht koffie en zei: „Krooswijk schrijf je met een ‘K’. Crooswijk met een ‘C’ is een wijk in Rotterdam.”

Ik noteerde meteen ‘Krooswijk’ in mijn opschrijfboekje, want ik begreep dat een verkeerd geschreven naam voor genealogen – zij doen onderzoek naar hun voorouders of naar afstamming van de familienaam – verschrikkelijk is.

„Wij krijgen hier niet vaak journalisten over de vloer”, zei hij. „Het beoefenen van stamboomonderzoek is, gezien de groeiende populariteit, een hobby die velen boeit. Hier in ons verenigingsgebouw bieden we een keur aan faciliteiten: naslagwerken, transcripties, microfiches, computers, bidprentjes, een heraldisch archief. Kortom: men kan aan de slag!”

Voor Marius Krooswijk begon de hobby met een overlijdensadvertentie in de ochtendkrant. Er was een Krooswijk overleden, die hij niet kon thuisbrengen. Hij dook de archieven in en ploos de hele familietak van zijn grootvader uit Geertruidenberg uit. „Tot mijn grote verbazing vond ik een vertakking naar Rotterdam!”

Zijn ogen glinsterden.

Een vertakking naar Rotterdam!

De impact van een dergelijke vondst ging je niet in de koude kleren zitten. Dat was duidelijk.

Krooswijk: „En dan ga je door!”

Hij wilde weten wat ze ‘uitgespookt’ hadden.

„Er zat van alles tussen: een belastingadviseur, leraren en, tot mijn grote verrassing, zelfs een bierbrouwer... Een bierbrouwer! Daar doe je het voor: voor het onverwachte, de spreekwoordelijke krent in de pap. En je gaat verder... Hoe oud zijn ze geworden? Hoeveel kinderen hadden ze?”

Hij was even stil en concludeerde: „Het houdt nooit op.”

Thuis ging hij niet ‘tot in de details’, vrouw en kinderen waren ‘gematigd enthousiast’. „Mijn schoonvader was gek van bergen. Hij kwam daar ook voor uit. Ik waak daarvoor. Je kunt de afwijking toch niet delen. Het fijne van de club is: je bent niet de enige. Je vindt er een luisterend oor. Je ontmoet lotgenoten, mensen die met nuttige tips komen.”

Hij begon over de vereniging: 9.500 leden, onderverdeeld in 28 regio’s, allemaal goed georganiseerd, met een eigen bestuur en eigen activiteiten. „Allemaal gewone mensen”, zei Marius Krooswijk, „van alle randen en standen, vaak wat ouder, maar niet allemaal gepensioneerd.”

Hij keek op zijn horloge.

Hij had een verrassing.

Speciaal voor mij hadden vrijwilligers een klein onderzoek gedaan naar de herkomst van de naam ‘Van Roosmalen’. Vooral de heer Jos Kaldenbach, die over de microfiches ging, had zich ingespannen. „Hij kan ieder moment binnenvallen.”

Ik moet nogal wezenloos voor me uit hebben zitten kijken, toen ik van de goedbedoelde verrassing hoorde. Alsof ik met een natte lap in het gezicht werd geslagen.

Een kwartier later zat ik met Jos Kaldenbach (64), een oud leraar Duits, achter een enorme lichtbak naar microfiches te staren. Jos had een borstelsnor en droeg de NVG-verenigingskaart aan een koord om de nek. „Zodat het meteen duidelijk is dat ik hier medewerker ben.”

Ik keek naar de groene letters op het scherm.

Jos Kaldenbach zei dat de eerste Van Roosmalen, Lambertus Antonius van Roosmalen heette en dat hij in 1786 was geboren in Wormerveer. „Noteert u: nummer 5742A4. Dan kunnen we door naar de kaartenbakken.”

Wij naar de kaartenbakken.

„Van Roosmalen’s komen we hier niet meer tegen”, zei Jos Kaldenbach na enige tijd. „Uw voorouders hebben waarschijnlijk anders geheten. Het wemelt hier van de Roossemaallen’s en Roosmale’s.”

We hadden een punt bereikt waarop ik graag conclusies wilde trekken. De eerste Van Roosmalen kwam uit Wormerveer en was geboren in 1784.

Prima.

Klaar.

Zand erover.

Jos Kaldenbach: „Maar nu begint het pas...”

Hij informeerde naar mijn voorouders.

Ik vertelde dat een overgrootvader molenaar was in Middelbeers.

Jos Kaldenbach had slecht nieuws.

„U weet dat molenaars in vroeger tijden als oneerlijk en immoreel bekend stonden? Daarom woonden ze aan de rand van het dorp. De dochter van de molenaar was vaak een wilde juffrouw... Als je echt gaat spitten, kom je dat soort dingen te weten...”

Ik knikte. Het was een krent in de Van-Roosmalen-pap.

Een paar bureaus verderop zat meneer Hessel de Vries, een vrijwilliger met een lichtblauwe stropdas die al tijden bezig was met het invoeren van heraldische gegevens in de computer, een klus zonder einde. Hij had het familiewapen van een Van Roosmalen gevonden in het heraldisch archief. Hij kon daar ook leuk over vertellen, over familiewapens. Wat betekende een klaver, een eikel, een leeuw, een roos, een lelie of een boom in wapens? Allemaal zaken, waar je als leek niet zo snel bij stil stond.

Onder leiding van Marius begonnen we aan een tocht door het verenigingsgebouw. In een ruimte op de eerste verdieping waren vrijwilligers bezig met het sorteren van bidprentjes. Alles werd bekeken en gerubriceerd.

Jan Lohmeijer (71) woonde in Groningen en kwam twee dagen per week naar het verenigingsgebouw. Hij sliep dan in een camper, bij een bevriende boer op het erf. Hij had onderzoek gedaan naar zijn voorouders en zijn bevindingen vastgelegd in een in eigen beheer uitgegeven boek: 300 jaar Lohmeijer.

Het onderzoek had ‘voor een flink stuk bevestiging’ gezorgd, maar hij wist: „Werken aan een boek is interessanter dan wanneer het af is.”

De vraag ‘En nu?’ drong zich op.

Hij was niet in een gat gevallen. Integendeel: in het verenigingsgebouw was genoeg te doen. Over niet al te lange tijd arriveerde er een partij van 750 duizend bidprentjes, die allemaal moesten worden geordend.

„Ik wil doorgaan tot mijn 75ste. Daarna is het mooi geweest.”

Een mevrouw met een grote bril kwam even melden dat ze iets bijzonders had gevonden tussen de bidprentjes. „Die Franse slager uit Naarden-Bussum blijkt Duits.”

Weer een krent in de pap.

„Mijn vrouw interesseert dit niets”, zei Jan Lohmeijer, „maar ze vindt het prima als ik weg ben. Ik vind dit beter dan de hele dag thuis zitten.”