De journalist en de generaal

Een reportage in Rolling Stone kostte de Amerikaanse generaal McChrystal zijn kop.

Waar trekt de journalist de grens tussen vals en oprecht?

Op 23 juni 2010 diende generaal Stanley McChrystal zijn ontslag in bij president Obama. Hij en enkele van zijn medewerkers hadden zich in het tijdschrift Rolling Stone neerbuigend uitgelaten over hun politieke bazen. Obama zou bijvoorbeeld ‘onverschillig’ hebben opgetreden.

‘Wat vindt u?’ vroeg NRC Handelsblad aan zijn lezers. ‘Is McChrystal terecht ontslagen?’ ‘Chrystal clear!’ grapte een lezeres.

Na lezing van het artikel in Rolling Stone leek de zaak me inderdaad duidelijk. Het waren echter niet de opmerkingen over Obama en anderen die mijn wenkbrauwen deden fronzen – die lijken tamelijk onschuldig –, maar de karakterisering van de ex-generaal zelf. In de eerste alinea steekt hij zijn middelvinger op naar een stafmedewerker – en die middelvinger is symbolisch voor zijn levensfilosofie. De generaal hoeft nauwelijks te slapen, één maaltijd per dag is voldoende. Tijdens zijn militaire opleiding blonk hij al uit door te veel drinken, het beledigen van zijn meerderen en treiterspelletjes (‘ratfucking’) zoals iemand insmeren met scheerzeep en in de modder achterlaten. Ernstig zijn de grove fouten die McChrystal beging tijdens zijn loopbaan; die worden in het artikel uitvoerig gememoreerd. Zo loog hij over de ware toedracht van de dood van soldaat Pat Tilman in Afghanistan: die kwam door ‘friendly fire’ om het leven, en niet, zoals McChrystal naar buiten bracht, door de vijand. De waarheid zou niet goed zou zijn voor het imago van Amerika.

Het Rolling Stone-artikel is niet goed voor het imago van de generaal, zijn staf en het Amerikaanse leger (en daarmee ook niet voor Obama). Sterker: het is één lange middelvinger richting de generaal. De vraag dringt zich op: hoe kon hem dit overkomen?

De journalist die de generaal ten val bracht heet Michael Hastings. In de Nederlandse media bleef zijn naam vrijwel onvermeld, maar in Amerika ontstond een gekkenhuis. Wist Hastings wat de effecten zouden zijn? Waar staat hij in politiek opzicht?

Uit het geschreven Rolling Stone-interview kunnen we dit niet opmaken: hij is daarin nagenoeg afwezig. Zijn vragen worden niet opgenomen, zijn reacties ook niet. Nu is dat gebruikelijk – het zou irritant of afleidend zijn om bij elke reportage het commentaar van de journalist erbij te krijgen –, maar bij dit artikel intrigeert de afwezigheid. Hastings zat erbij, toen die middelvinger de lucht in ging. Trok hij afkeurend zijn wenkbrauwen op? Of lachte hij mee, intussen denkend: ‘Hebbes! Dat wordt de opening van mijn stuk?’

Een van de indringendste boeken die ik ooit las over de macht van de journalist is Janet Malcolms The Journalist and the Murderer (1990). Zij schrijft: ‘The reader of a work of journalism can only imagine how the writer got the subject to make such a spectacle of himself.’ Malcoms boek is in feite een kleine filosofisch-journalistieke studie van de perverse machtsrelatie tussen journalist en zijn subject. Ze hebben een tegengesteld belang. Het subject wil doorgaans zijn verhaal kwijt, en daarbij goed overkomen; de journalist wil scoops en bijzonderheden ontfutselen, maar is daarbij afhankelijk van de bereidwilligheid van het subject. De journalist kan zich dus het beste ook vriendelijk opstellen.

NRC-columnist Bas Heijne schreef onlangs het volgende over deze leugenachtige situatie: ‘In de journalistiek bestaat er het subgenre van het persoonlijke interview, waarin BN’ers hun ziel en zaligheid op tafel leggen – zogenaamd, want het is vooral een berekenend genre, waarin ziekte en depressie, liefde en lust zorgvuldig in de etalage van de publieke belangstelling worden uitgestald. Veel van die uitgeserveerde intimiteiten zijn koket en onoprecht – zelden gaat iemand echt met zijn billen bloot. Bedrog, jaloezie en frustratie, voor minder aantrekkelijke emoties is in het fake-genre van het persoonlijke interview geen plaats.’

Heijne legt de bal bij de geïnterviewde en noemt niet de rol van de journalist – is het zijn taak om mensen ‘met de billen bloot’ te krijgen? Hoe lukt dat? Vanwege een vliegtuigstoring door de aswolken van Eyjafjallajokull-vulkaan op IJsland, verkeerde Hastings veel langer dan gepland in het gezelschap van de Generaal. Die lengte zou wel eens bepalend kunnen zijn geweest. Ook Janet Malcolm wijst op de correlatie tussen de lengte van het interview en de diepte ervan; zelf plant zij doorgaans meerdere interviews met dezelfde persoon. Niemand houdt een bepaalde maskerade uren vol. Dit principe zie je ook in het programma 24 uur met... van Wilfried de Jong. De Jong is het type ‘amicale’ interviewer, dat ‘gezellig meedoet’. En zo laat hij zijn gasten – Catherine Keijl was een pijnlijk hoogtepunt – een spektakel van zichzelf maken. Malcolm beschouwt het subject als een Sheherezade van het ijdele soort: die wil uiteindelijk vooral niet saai gevonden worden of vervelen: ‘The subject is worriedly striving to keep the writer listening.’

Stel nu dat het de journalist lukt. Dat hij de ene na de andere ‘minder aantrekkelijke emotie’ uit zijn subject trekt – zoals bij Hastings. Wat dan? Dan wordt hijzelf een beetje beroemd. Hastings – naar eigen zeggen een held bij sommige soldaten die McChrystal graag zagen verdwijnen – is nu zélf het subject van veel interviews. Hij benadrukt dat hij geen stenograaf is en wijst erop dat hij voortdurend een taperecorder en een blocnote bij zich had – de generaal wist dat hij notities maakte. Hij vertelt verder dat hij fel tegenstander is van de Amerikaanse inmenging in Afghanistan. En dat hij in de gaten had dat het materiaal explosief was, maar dat hij niet had gerekend op de sterke sancties; hij achtte de generaal ‘immuun voor ontslag’.

Dat laatste lijkt mij valse koketterie. De journalist aast op bijzonderheden, en als die er eenmaal zijn, dan is het naïef om verbaasd te zijn over de gevolgen of om de moraalridder te gaan uithangen. Denk bijvoorbeeld aan de journalist die het lukt om eerder de begroting van Prinsjesdag te ontfutselen, het embargo breekt en vervolgens het desbetreffende lek corrupt acht; of denk aan Jeroen Pauw en Naema Tahir die elkaar tot grote hoogten van flirterigheid brachten bij Nova, waarna Pauw Tahir ineens met ‘Kim Holland’ vergeleek.

NRC-columnist Joris Luyendijk roept al een tijdje in zijn fascinerende columns om vernieuwende journalistiek. Hij probeert zelf het goede voorbeeld te geven. Hij geeft onder meer fouten toe, wijst op de partijdigheid van zijn oordelen en geeft aan wat hij per stukje verdient (500 euro); ook publiceert hij veel zelfrelativerende berichten over zijn capaciteiten als journalist door zichzelf ‘ezel’ te noemen en citeert hij uit zijn hatemail. Het masochisme van Luyendijk werkt echter niet optimaal, omdat ik eerder het karakter van Luyendijk ga analyseren in plaats van nadenken over zijn onderwerp – de elektrische auto – of zijn doel: nieuwe geëngageerde journalistiek. Ook ga ik me afvragen hoe lang hij gedaan heeft over dat stuk van 500 euro. Maar een beetje meer Luyendijk had Hastings wel kunnen gebruiken. Bijvoorbeeld door zijn politieke positie in het stuk kenbaar te maken, of door af en toe een vraag op te nemen die ook bij de lezer opkomt: is die middelvinger van de generaal een (mislukte) grap, moet iedereen lachen, of geeft hij zijn personeel nu echt de middelvinger en is dat gebruikelijk in de militaire cultuur? Hoe opzienbarend is het eigenlijk? Als rock-’n-roll-personage doet McChrystal het in ieder geval uitstekend, en dat maakt de reactie van Hastings in de pers op het ontslag een beetje vals, gespeeld naïef. Hij schreef zichzelf ten onrechte uit het stuk door te doen alsof hij wél een stenograaf is. Hij maakt zijn macht onzichtbaar. ‘De Media’ worden wel de vierde macht genoemd (soms ook de vijfde of de zesde) en woorden worden wel eens met wapens vergeleken. Dat is terecht: met woorden kun je iemand zijn wapens laten neerleggen.

Stine Jensen is auteur van onder andere het boek Leugenaars. Daarin beschrijft ze, onder meer, manieren om niet met de billen bloot te hoeven gaan als je geïnterviewd wordt door nieuwshongerige journalisten. Meestervervalser Geert Jan Jansen bijvoorbeeld beantwoordt zo veel mogelijk vragen met een brommetje of met een ‘uhm uhm’. Voor dit stuk, waaraan zij ongeveer 3 dagen werkte, ontving zij 400 euro.