Verklarende woordenlijst

Kabinetsformatie, (v.) (-s) – Langdurig achterkamertjesoverleg bedoeld om de tijd te doden tussen de val van het ene en het andere kabinet. Voorbeeldzin: ‘De kabinetsformatie werd tijdelijk onderbroken door nieuwe verkiezingen.’

Kamerdebat, (o.) (-en) – Kortstondig toneelstuk bedoeld om de tijd te doden tussen de onderhandelingen. Voorbeeldzin: ‘De formatie werd volgens het beoogde kabinet onnodig verstoord door een Kamerdebat.’

Informateur, (m.) (-s) – Politicus die de volgende informateur aanwijst. (Zie ook: Haagse estafette).

Gedoogsteun, (m.) – Macht verwerven zonder verantwoordelijkheid te dragen. Voorbeeldzin: ‘Om het democratisch functioneren van het parlement te ondermijnen, verleende hij maar al te graag gedoogsteun.’ (Engels: free ride). (Zie ook: klaplopen).

Minderheidskabinet, (o.), (metafoor) – Zie: marionettenkabinet.

Breekpunt, (o.), (-en), (fig.) – 1) Loze belofte. 2) Loos dreigement. Voorbeeldzin: ‘Breekpunt? Welk breekpunt?’

‘De verkiezingsuitslag recht doen’, (zegswijze) – Het opdringen van een willekeurig meerderheidskabinet aan de andere helft van de bevolking. (Zie ook: lijst met drogredenen, p. 48)

Rechtsstaat, (m.) – 20ste-eeuws concept waarin burgers als gelijk voor de wet werden beschouwd. Voorbeeldzin: ‘Weet je nog, toen Nederland een rechtsstaat was?’

Rationeel discours, (o.), (leenw. uit Fr.) – Demonisering van de PVV door linkse kerk. Voorbeeldzin: ‘Het rationele discours kwam Henk en Ingrid de keel uit.’

Linkse kerk, (v.), (scheldw.) – Verzamelnaam voor iedereen die het niet eens is met Geert Wilders. Voorbeeldzin: ‘…schandalig!...ramp voor het land!...belachelijk!...knettergek!...linkse kerk.’

Linkse oppositie, (v.), (-s) – Zie: huilbaby’s.

Crisis, (v.), (<Gr.) – Oud-Grieks stopwoordje zonder connotatie. Voorbeeldzin: ‘Omdat er drastische maatregelen, crisis, moeten worden genomen, crisis, is het van groot belang, crisis, om zo snel mogelijk, crisis, nog voor 1 juli, crisis, tot een vruchtbare samenwerking te komen, crisis.’

Vruchtbare samenwerking, (v.), – Ironisch bedoeld vergezicht. (Oorsprong: Utopia van Thomas Moore). Voorbeeldzin: ‘De koningin hoopt al jaren op een vruchtbare samenwerking tussen kabinet en Staten-Generaal.’

Rob Wijnberg