Onvrede over het isolement neemt toe

Druzen op de Golanhoogte leven met de rug naar Israël. Het verzet tegen de Israëlische annexatie lijkt toe te nemen, bijvoorbeeld in Majdal Shams. Vanwege een spionagezaak.

Het gebeurde nadat politieagenten het huis van de oud-conservatoriumstudent Fada Sha’ar hadden betreden, een paar weken geleden. De buren belden hun familieleden, die belden hun vrienden, en binnen een half uur was het huis omringd door duizend dorpelingen. Er werd wat gegooid, de oproerpolitie kwam, en de sfeer in Majdal Shams werd grimmig. Pas na langdurig overleg tussen de dorpsoudsten en de politie ging de menigte naar huis. „We hebben iedereen laten zien dat we niet langer over ons heen laten lopen”, zegt dorpsbewoner Haji Abu Jabal.

Nu is het dorp in de greep van een spionagezaak. Majdal Shams is een doorgaans rustig dorpje in politiek explosief gebied. Het plaatsje met ruim tienduizend inwoners, omringd door militaire uitkijkposten en mijnenvelden, ligt in het uiterste noorden van de Golan.

Israël veroverde dit bergachtige gebied in 1967, tijdens de Zesdaagse Oorlog, op buurland Syrië. De meeste Syrische bewoners van het gebied vluchtten, maar nog altijd wonen in vijf dorpen ongeveer 20.000 Syriërs. In overgrote meerderheid zijn de Syriërs in de Golan Druzen, een kleine religieuze minderheid in het Midden-Oosten, die in de Middeleeuwen van de islam is afgescheiden. Teruggave van de Golan, wat de internationale gemeenschap ook eist, is de Syrische voorwaarde voor vrede met Israël. Het gebied is strategisch belangrijk, en het geeft ook toegang tot waterbronnen en het Meer van Galilea. Israël weigert teruggave van het geannexeerde gebied.

Volgens het Israëlisch Openbaar Ministerie hebben twee inwoners van Majdal Shams zich met een derde handlanger, een Palestijn, schuldig gemaakt aan spionage voor Syrië. Dorpsbewoner Fada Sha’ar en zijn vader Majid zitten in de gevangenis op verdenking van collaboratie met de vijand.

Volgens de aanklacht van het Israëlische OM gaven de vader en zoon inlichtingen aan een Syrische spion. Syrië zou uit zijn op informatie over een piloot die in 1989 het land ontvluchtte en in Israël een nieuwe identiteit heeft gekregen.

Dorpeling Haji Abu Jabal zegt dat de aanklacht onzinnig is. „Er is geen bewijs, alleen een beschuldiging. Het is bedoeld om de wil van de Syrische bevolking te breken. De onrust in de regio groeit, mensen beginnen te morren over de bezetting. Er was niets verdachts aan vader en zoon. Ja, de zoon had een baard, dus wordt hij als een potentiële terrorist gezien.”

Majdal Shams staat, net als de andere Druzendorpen in de Golan, met de rug naar Israël toe. De inwoners hebben Israëlische paspoorten altijd geweigerd. Ze wachten, zeggen ze, op de dag dat het gebied teruggegeven wordt aan Syrië.

De meeste Druzen in het noorden van Israël hebben na de stichting van deze staat, in 1948, gekozen voor volledige loyaliteit. Ze dienen, anders dan Palestijnen, in het Israëlische leger en zijn politiek actief in gevestigde Israëlische partijen. Maar de Druzen in de Golan weigeren zich loyaal te verklaren aan Israël. ,,Wij zijn Syriërs. Wij hebben niets met Israël te maken”, zegt Haji Abu Jabal, een oude boer met een vermoeid gezicht. Een groot standbeeld in het dorpscentrum van Sultan al-Atrash, een Syrisch-nationalistische Druzenleider uit de vorige eeuw, laat geen twijfel bestaan over de vastberadenheid van de dorpsbewoners.

Tegelijkertijd is Syrië onbereikbaar. Een paar honderd inwoners mogen elk jaar studeren in de Syrische hoofdstad Damascus. En via – meestal gearrangeerde – huwelijken met bruidegommen aan de andere kant van de grens mogen Syrische meisjes eenmalig de grens oversteken. Een weg terug is er niet. Honderden vrouwen in Majdal Shams hebben deze oversteek gemaakt.

Lamis Atallah Ayoub (40), een kleine, blonde vrouw, is een van hen. Zij woonde en studeerde in Damascus, totdat ze trouwde met een jurist uit Majdal Shams. Met alleen een bruidsjurk als bagage stak ze eind jaren negentig de zwaar bewaakte overgang over, om Syrië nooit meer terug te zien. „Ik heb de eerste maanden alleen maar gehuild”, zegt ze, terwijl ze door haar trouwalbum bladert. Op alle foto’s kijkt ze met roodomrande ogen sip voor zich uit. Nu heeft ze drie kinderen en woont ze op de top van een berg, van waaruit ze haar voormalige land kan zien.

Nog altijd mist Ayoub Syrië, en het leven dat ze daar leidde. „Ik schrok toen ik het dorp zag. Ik was het levendige Damascus gewend, hier is niets. Israëliërs kom je nauwelijks tegen, onze familie mogen we niet zien. In het dorp is geen bedrijvigheid, maar niemand kan het verlaten.”

Ayoub zegt dat de onrust in het dorp groeit. De volksoploop bij de huiszoeking, een paar weken geleden, maakt volgens haar een dieper sentiment zichtbaar. De Druzen lijken niet langer genoegen te nemen met hun isolement. „We vinden geen werk buiten het dorp, want we zijn voor Israëliërs de Syriërs, de vijand. Naar Syrië gaan kunnen we ook niet, dus we leven tussen hoop en vrees. Soms word ik wakker en denk ik: ooit zal het wel eens teruggegeven worden. Maar dan zie ik de legerposten om het dorp en ben ik weer terug in de realiteit.”