Jongens aan zee

‘Met welke boot wilde jij eventueel naar Engeland vluchten als Wilders aan de macht komt?” vroeg mijn vrouw, terwijl we op het strand van Bergen aan Zee stonden.

Tot aan de verre horizon was inderdaad zelfs geen stip te zien van iets wat op een zeewaardig schip leek. Dichterbij vertoonde zich in de golven alleen een surfer, die vergeefs probeerde te voorkomen dat hij van zijn plank viel.

Het was een mooie zomerdag, niet te warm, niet te fris, en ik had daarom weinig trek in sceptische opmerkingen die mijn gedachtenexperimenten bedierven.

„Misschien kun je dan toch beter naar een echte haven gaan”, zei ze.

„En ga jij mee?”

„Nee. Alleen slapjanussen wijken voor intimidatie. Je wordt toch geen Maxime Verhagen, hoop ik? Zogenaamd Wilders voor de laatste keer scherp waarschuwen, maar intussen kwispelstaartend om een ministersbaantje smeken?”

„We laten deze prachtige dag niet door die verdomde politiek verpesten”, zei ik, en ik zette over het strand vastberaden koers naar een café-restaurant bij de boulevard van Bergen aan Zee – eufemistische benaming voor een stuk straat dat vooral als fietsenstalling fungeert en waar je bij de goede windrichting wel de zee kunt ruiken, maar niet zien.

Het restaurant bleek ’t Strand te heten, maar toen we er tien minuten zaten kreeg ik vooral aanvechting om het Ik strand te noemen. Mijn situatie had iets hopeloos gekregen. Ik, en niemand anders, had voorgesteld om plaats te nemen op dit schamele terras met chromen stoeltjes van poepkleurig pitriet, waarop enkele bejaarde echtparen achter hun bordjes appeltaart treurig naar de horizon zaten te staren. Onder mijn tafeltje stond een onsmakelijk emmertje, gevuld met zand en de resten van tientallen sigaretten die erin waren gedoofd. De serveerster wilde maar niet komen en ik voelde intuïtief dat er daadkracht van mij verwacht werd als ik een nieuwe nederlaag wilde afwenden. „We kunnen ook naar De Jongens gaan”, zei ik. „De Jongens?” „Een strandtent even verderop. Lijkt me ietsje minder verstikkend dat deze spooktent.” Ik had een hip uithangbord gezien waarop de bezoekers veel rosé en tapas werd beloofd. Er stond zelfs een website bij vermeld: www.dejongensbergenaanzee.nl. Het moderne strandtoerisme stond voor niets. „Is dat niet voor jongeren?” vroeg mijn vrouw. „So what? Zonderlinge oudjes vinden ze best vertederend zolang het er niet te veel zijn.”

De Jongens bleek een tent die in ieder geval een royaal uitzicht op zee bood. Aan de voorkant stond een linie van banken met witte kussens waarop je loom achterover kon hangen, als je daarvoor in de stemming was – en velen, gelukkig ook enkele ouderen, waren dat. Wij namen plaats in witte regisseursstoeltjes op het kleine terras. De drank moest je zelf halen bij een buffet waar de frites je tegemoet walmden. Op de menukaart stond geen enkel vernieuwend gerecht, of het moest ‘Broodje hamburger Jeroen de Vries van de grill’ zijn. Eigenlijk was De Jongens een soort ’t Strand voor jongeren. Maar de zon bleef schijnen, de drankjes daalden weldadig in, op het strand klonk een tevreden geroezemoes en politiek Den Haag raakte steeds verder achter de horizon, waaraan overigens nog steeds geen enkel schip verschenen was.

„Nederland vakantieland”, zei ik.