Je neus achterna naar Delft

Thalia Verkade spreekt met vijf schrijvers die over fietsen schreven, over hun favoriete fietsroute. Aflevering 2: Kees van Kooten

„Als je loopt, verandert het landschap te langzaam. In de auto gaat het te snel”, zegt Kees van Kooten. „De fiets is een ideale leunstoel om na te denken.”

Talloze Nederlandse literaire landschapsschilderingen kwamen vanaf de fiets tot stand. Nescio fietste door het Gooi en schreef over het landschap in zijn Natuurdagboek. Maarten Biesheuvel beschrijft in het verhaal Logger een visioen dat hij kreeg toen hij in een rustmoment tijdens een fietstocht langs de Oude Rijn in slaap viel in een oude kas. Maarten ’t Hart verbaast zich hoe leeg de Nederlandse fietswegen zijn in vergelijking met autowegen in Oostvlietweg.

Kees van Kooten wilde als klein jongetje van Den Haag naar Delft fietsen. „Wij hadden niet gezegd dat wij naar Delft heen gingen. Alleen dat wij een eind gingen fietsen. Dat vinden ze altijd goed in de vakantie, als je zegt dat je een eind gaat fietsen. Fijn zo, zeggen ze dan. Gaan jullie maar lekker een eind fietsen. Maar als je zegt dat je naar Delft heen gaat fietsen, dan mag het ineens niet vaak”, schrijft hij in Naar Delft Heen (1987).

Het verhaal, waarin de ik-persoon met twee vriendjes de tocht waagt, draagt de ondertitel: een opstel uit 1950. De auteur, cabaretier in ruste, werd geboren in 1941. Vandaar het kinderlijke taalgebruik: „Eddie zegt dat er veel hoeren zitten in Delluft. Bij al die hoeren ligt een klein jongetje vastgebonden op hun buik zegt hij. Dat wisten Ronald en ik niet. Waarom was dat dan? Dat is tegen de ziektes, zegt Eddie. Dat die hoer geen bacteries naar binnen krijgt [...] Alleen als de hoer een klant krijgt, dan mogen ze even los.”

De Vieze Man, een van de typetjes die Van Kooten speelde in het satirische tv-programma Keek op de Week, zat er duidelijk op zijn negende al in.

Eddie is de stoerste van de drie jongetjes die in het verhaal de tocht naar Delft ondernemen. Vriendje nummer twee, Ronald, heeft per ongeluk een vaas van zijn moeder kapot gegooid. Om het goed te maken wil hij Delfts blauw voor haar kopen. De ik-persoon, bij wie je je als lezer automatisch een jonge Kees van Kooten voorstelt, is nummer drie. Hij kent de weg het beste: „Eerst de hele Leyweg af. Daar staat altijd wind tegen. Dan door Wateringen heen en daar begon je vanzelf de pindakaas van de Calvéfabriek te ruiken. Daar moet je gewoon achteraan blijven rijden en dan kom je recht in Delft.”

Van Kooten, die inmiddels in Amsterdam woont, zegt aan de telefoon: „Die fietstocht die we wilden maken, dat is allemaal waar. Maar ik kan nu wel zeggen dat ik dit verhaal heb geschreven toen ik ergens in de veertig was. Er was niks bewaard gebleven van hoe we toen spraken, van de uitdrukkingen die we gebruikten.” Dus schreef Van Kooten de herinneringen op als een teruggevonden schoolopstel. Het verscheen bij uitgeverij De Bezige Bij.

De straat waar Van Kooten opgroeide, de Vreeswijkstraat, keek in de jaren vijftig nog helemaal uit over de weilanden, vertelt de schrijver. „De Laan van Meerdervoort verdeelde Den Haag in tweeën zoals de Seine Parijs. Boven had je het zand, de Hagenaren. Onder het veen, daar was het veel armer. Daar woonden wij.”

Delft lag aan het einde van de voor kinderen van negen bekende wereld, het was „van Den Haag, het verste weg van wat er nog dichtbij is”. Het waren tragische fietstochten, zegt Van Kooten nu. „We reden op tien keer overgemoffelde, als nieuw vermomde damesfietsen met een veel te groot verzet. We maakten grote plannen, maar we haalden het eigenlijk nooit. Er werd iemand ziek of er kreeg er één heimwee, en eigenlijk konden we nog niet goed zonder onze moeder.”

Van Kooten herinnert zich dat hij wel eens het kartonnetje van een sigarettenpakje met een wasknijper aan het voorspatbord vastmaakte: dan klonk het alsof ze een brommer hadden. „Je zeurde bij je ouders van wie je wist dat ze het geld er niet voor hadden om een fiets waarmee je je kon vertonen.”

Tijdens lezingen door het land ontdekte Van Kooten dat generatiegenoten uit heel Nederland in hun jeugd vergelijkbare tochten maakten: van Rotterdam reden ze naar Schiedam, van Amsterdam naar een ander plaatsje in de omgeving. „Het was een soort jagersdrang van de jongens die dan werd bevredigd. Er was ook weinig anders te doen. Je voetbal was lek of ingepikt door een buurman.”

Sinds 1984 heeft Van Kooten behalve een roestbruine Gazelle ook een speciaal voor hem gebouwde racefiets met een AA-frame. Daarop reed hij ook als het typetje Karel van Loenen, ex-profwielrenner in de televisiefilm Ik Roep Nog Hee (1985) met Wim de Bie. De zelfbenoemde wielerheld pakt hierin winkelier Gijsbert van der Kolk (De Bie) in met stoere praatjes over zijn wielerverleden om sponsorgeld los te peuteren.

Download de routekaart of een gpx-bestand en bekijk Karel van Loenen via YouTube op nrcnext.nl/fiets