Foto's vol verlangen naar betere tijden

Tentoonstelling Elger Esser – Eigentijd. T/m 26 sept. Musem voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87, Arnhem. Di t/ vr 10-17u, za-zo 11-17u. Catalogus 39,95, inl: www.mmkarnhem.nl *

Bij sommige kunstenaars dringt zich niet zozeer de vraag op door wie ze zijn beïnvloed, maar eerder door wie niet. Kunsthistorische referenties, literaire citaten, schaduwen van grote inspiratoren buitelen in hun werk door en om elkaar heen, als sardientjes in een school op zee. Je kunt er duizelig van worden, doodmoe, en soms ook is het wonderbaarlijk mooi – al die glanzende lijfjes op drift.

Elger Esser is zo’n kunstenaar. Met mierenvlijt maakt en bewerkt de in 1967 in het Duitse Essen geboren maar in Rome opgegroeide fotograaf afbeeldingen, waarbij je als kijker bij wijze van spreken met de vingers knippend zegt: Verdraaid, die horizontalen en verticalen – nét Mondriaan. Of: Hee: de gulden snede van de Renaissancekunstenaars. Of: Ja, dat is helemaal Caspar David Friedrich. Gustave Courbet. Marcel Proust. Guy de Maupassant. Monet. Etcetera. Etcetera.

Het is niet altijd een pre – al dat geciteer – zo blijkt op een overzichtstentoonstelling van het werk van Esser, nu in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. In ruim dertig, grootformaat foto’s van landschappen, stadsgezichten en zeegezichten, elf kolossaal opgeblazen foto’s van fragmenten van oude ansichtkaarten, laat Esser zien hoezeer hij al jaren in de ban is van het verleden. Dat verleden van Esser concentreert zich op de negentiende en vroeg-twintigste eeuw, de tijd waarin de fotografie een enorme vlucht nam, waarin Proust de ultieme metafoor van ieders kindertijd beschreef met zijn romancyclus A la recherche du temps perdu, en de tijd ook waarin het landschap nog redelijk ongerept was en waar ook niet meer achter iedere boom een struikrover op de loer lag. Comfortabel toerisme, een comfortabel, bourgeois leven, een comfortabel, ‘kloppend’ bestaan. Althans, zo willen sommigen het graag, als ze terugkijken.

Zo is ook Essers werk. In series (hij is niet voor niets op de academie in Düsseldorf door het echtpaar Becher opgeleid) over Franse stads- en dorpsgezichten (Blois, Combray, Parijs), zeegezichten met en zonder scheepswrakken en aangespoelde walvissen tast Esser het fenomeen af van tijd die verstilt, van toen dat in nu overgaat en omgekeerd, van eventueel een herinnering die ieder van ons met zich meedraagt: een herinnering aan lege pleinen met bomen omzoomd, aan mooi bewerkte wasbassins in de openlucht, aan een zondagmiddag waar de stilte zich invreet in de muren van de kerken en de huizen.

Om dit onmogelijk verlangen om de tijd stil te zetten in beelden te vatten, gebruikt Esser oude opnames, fragmenten van oude ansichtkaarten, maar ook fotografeert hij ‘nieuw’. De oude opnames blaast hij op, zodat de voorstelling als het ware verpixelt, alsof de fotograaf een pointillistisch schilder is, à la Signac. Waarom neemt Esser geen kwast ter hand?

Geen idee.

Voor de nieuwe opnames gaat Esser op zoek naar een village éternel, zoals Proust beschreef, naar dezelfde klassieke tijdloosheid die schilderijen kenmerken die volgens het principe van de gulden snede zijn opgezet. Die nieuwe opnames van wasbekkens en beekoevers, van met mos overgroeide kademuren en eenzame dorpskerkjes maakt Esser met behulp van een oude techniek als de heliogravure. Daarmee verschaft hij zijn beelden weliswaar een negentiende-eeuws patina, maar eenentwintigste-eeuws zijn ze wel degelijk. Dat is te zien aan de manier waarop ze de ruimte in bezit nemen: kolossaal en protserig, als een SUV die over een schoongepoetste boulevard rijdt.

De vraag is wat Esser werkelijk wil met zijn zoektocht naar de oude tijd. Wil hij laten zien dat fotografie op schilderkunst lijkt, als je maar vergroot, vergroot en nog eens vergroot? Wil hij laten zien dat hij inderdaad in staat is dezelfde sfeer op te roepen die zijn voorgangers en inspiratiebronnen ook opriepen, maar dat hij aan eigen ideeën een groot gebrek heeft? Of wil hij vooral laten zien hoezeer hij zich verdwaald voelt in deze tijd? In Arnhem worden al deze vragen met een jammerlijk ‘ja’ beantwoord.

Esser laat het allemaal zien. En dat mag. Hij mag zich vermeien in het verleden, voor zichzelf, voor zijn vrienden en familie. Maar tot kunst leidt het niet. Wel tot edelkitsch – zoet, behaagziek, mooi, maar op den duur oersaai.