Zó Moeder Teresa

Ik loop naar het station, terwijl in mijn handen de bos bloemen ritselt die ik heb gekregen als dank voor het voorlezen in een bibliotheek. Het is een mooi boeket, met grote kelken en artistiek uitstekende sprieten (maar de bloemen en ik weten allebei dat ze na een tragisch sterfproces zullen eindigen als knisperig gedroogde

Ik loop naar het station, terwijl in mijn handen de bos bloemen ritselt die ik heb gekregen als dank voor het voorlezen in een bibliotheek. Het is een mooi boeket, met grote kelken en artistiek uitstekende sprieten (maar de bloemen en ik weten allebei dat ze na een tragisch sterfproces zullen eindigen als knisperig gedroogde lijkjes in een vaas slootwater).

Om me een houding te geven pluk ik aan het cellofaan. Alleen zijn op een openbare plek met een bos bloemen in je hand heeft iets ongemakkelijks. Omstanders denken wellicht dat je het boeket hebt gekregen, bijvoorbeeld van een geliefde. Maar toch: blijkbaar is die liefde niet zo groot dat je nu met zijn tweeën in een hotel aardbeien uit elkaars navel aan het eten bent. Nee, je bent duidelijk in je eentje, op een tochtig perron.

Sowieso past een boeket niet bij een Grote Liefde, daar is het te bedeesd voor. Je geeft eerder bloemen bij een eerste date. Oftewel: ik zie eruit als iemand die net een mislukte blind date achter de rug heeft. Daarbij ben je met een bos bloemen een makkelijke prooi voor de jolige opmerking: „Wow, voor mij? Dat had je nou níet hoeven doen.”

Terwijl ik wacht, zie ik een ouder echtpaar op een bankje zitten. De man kijkt me geamuseerd aan en zegt: „Wat lief! Voor mij?” Hoewel ik uit automatisme kort wil glimlachen om vervolgens door te lopen, kijk ik de man nog eens aan. Hoewel het een jolige vraag is, kijkt hij oprecht vriendelijk. En dan denk ik: waarom eigenlijk niet? „Klopt!” zeg ik. „Ze zijn voor u.” Ik overhandig hem het boeket. „Wat?” antwoordt hij verbaasd. Ook zijn vrouw kijkt mij vragend aan. „Maar… dat kan ik niet aannemen”, stamelt hij dan. „Natuurlijk wel”, zeg ik, lichtelijk verschrikt door hun blijdschap (het is immers maar een bos bloemen, geen gratis aanleunwoning). Terwijl ze me omstandig overladen met bedankjes, groet ik ze en loop weg. Maar anders dan daarnet. Het lijkt wel of ik zweef. Mijn hoofd is licht en ik voel me intens goed. Dit was fantastisch, denk ik. Dit was zó Moeder Teresa van me. Of nee: Mandela-esk. Dit was een echt pure, onbaatzuchtige daad. Ik móet iemand bellen om het te vertellen.

En ik realiseer me dat ik zo pervers van mezelf aan het genieten ben, dat het enigszins conflicteert met het Mandela-gevoel. Dit klopt niet. Je kan niet én verlicht zijn, én daar op kicken. Dit haalt helemaal de glans van mijn daad. Hoe kan je waarlijk altruïstisch zijn als het zo lekker voelt? Of hoort het erbij en geeft het de nodige stimulans? Zou Moeder Teresa ook high fives met haar spiegelbeeld hebben gedaan? Mag ik me zo goed voelen?

En dan bedenk ik me dat dit tóch niet geheel altruïstisch was, en ik stap tevreden in de trein. Ik hoef tenminste binnenkort geen knisperige lijkjes op te ruimen.