Stelen, jatten, kapen in een zedenschets met knipoog

Cover van het boek De kunst van het stelen van Padre Manuel da Costa

Padre Manuel da Costa: De kunst van het stelen. Vertaald door Harrie Lemmens. Athenaeum-Polak & Van Gennep. 328 blz. € 29,95.*****

„Ik heb niets tegen het betalen voor diensten”, schrijft de 17de-eeuwse jezuïet Manuel da Costa in zijn boek De kunst van het stelen, „maar ik verbaas me wel over vergoedingen [...] die door geldwolven worden opgeëist waar zelfs geen sprake is van verdiensten”.

Het is niet de enige keer dat je in de zojuist verschenen vertaling van dit half-schelmse, half-moralistische vertoog verrast opkijkt. „Het kan niet actueler”, laat de uitgever van de onlangs overleden Portugese schrijver José Saramago op de omslag van het boek verklaren. En dat is niet te veel gezegd.

Stelen, jatten, kapen, klauwen, pikken, ratsen: het leidt tot de meest inventieve handelingen bij de mens. In De kunst van het stelen beschrijft Da Costa uitvoerig hoe mensen zich altijd hebben vergrepen aan andermans bezit. En daarbij verwijst hij even makkelijk naar de antieke mythologie als naar de onverteerbaarheid van de ‘rats, kuch en bonen’ waarmee de gemiddelde soldaat het in zijn tijd moest zien te stellen.

Dat Da Costa de auteur is van deze vermakelijke verhandeling is overigens nog niet zo lang een uitgemaakte zaak. Pas in 1788, een kleine tachtig jaar na zijn dood, werd het boek in Amsterdam gedrukt. Op de titelpagina prijkte de naam van een andere jezuïet, Antonio Vieira, beroemd vanwege zijn weergaloze barokstijl. Halverwege de vorige eeuw bleek uit een teruggevonden brief dat het boek geschreven was door de onbekende Da Costa, geboren in 1601 en 66 jaar later gestorven na een weinig opzienbarend leven als prediker en docent.

Da Costa moet zich van de dubbelzinnigheid van zijn verhandeling goed bewust zijn geweest. Een inventaris van alle mogelijke manieren waarop bedrog, diefstal en oplichting kan worden bedreven laat zich immers even goed lezen als een aansporing als als een aanklacht. Voortdurend strijdt in dit boek de vermakelijkheid om de verontwaardiging – en daar was het Da Costa naar eigen zeggen ook om te doen. Niet als een leerboek voor dievenmaar als een oproep tot corruptiebestrijding had hij het willen schrijven.

Helaas: hij schreef te goed en te onderhoudend. Daarom leest De kunst van het stelen nu eerder als een zedenschets met een dikke knipoog dan als een vermaning. De hedendaagse lezer krijgt er als extra bonus het besef bij dat de graaicultuur van alle tijden is. Net als de pogingen om die te bestrijden, trouwens. Wanneer Da Costa aan het einde een paar remedies formuleert, vinden we daar ook het 17de-eeuwse equivalent van de ‘commissie van toezicht’ onder.

Ger Groot