Rotsvast overtuigd van haar recht op succes

In haar nieuwste biografie probeert Kitty Kelley Oprah Winfrey zwart te maken.

Maar voor het verklaren van Winfreys succes is een boek over Spielberg geschikter.

Cover van het boek Oprah : Een biografie van Kitty Kelley

In 1969 komt Oprah Gail Winfrey, een 15-jarige scholiere uit Nashville, Tennessee, voor het eerst in Hollywood. Op de Walk of Fame voor Grauman’s Chinese Theatre knielt de slimme, niet bijzonder mooie puber, het ontkroeste haar in een strakke scheiding, neer bij de blinkende tegels van de grootste filmsterren en zegt tegen zichzelf: op een dag heb ik hier mijn eigen ster. Als ze een jaar later eerste wordt in een voordrachtswedstrijd met haar dramatische vertolking van een gospeltekst, vergelijkt ze dat in de schoolkrant met ‘het winnen van een Oscar’.

Zo was Oprah, en zo is Oprah nog steeds: ambitieus, ijdel, rotsvast overtuigd van haar eigen bijzondere gaven en haar recht op succes. De klasgenoten die haar achter haar rug om uitlachten om zoveel eigendunk heeft ’s werelds rijkste en beroemdste zwarte vrouw inmiddels afdoende de mond gesnoerd. En hen niet alleen. De honderden werknemers van Harpo (Oprah’s productiemaatschappij annex tv-studio) en van haar glossy O, The Oprah Magazine, zijn sinds 1995 contractueel gebonden aan een levenslange zwijgplicht over hun bazin. Collega’s van voor die tijd houden ook liever hun mond over de tv-presentatrice wier vermogen volgens de laatste schattingen 2,4 miljard dollar bedraagt: haar advocaten wil je niet op je dak krijgen. Daarbij heeft Oprah zo’n grote invloed op het koopgedrag van haar devote, merendeels vrouwelijke publiek, dat wie in de VS iets aan te prijzen heeft haar beter te vriend kan houden.

Auteur Kitty Kelley, bekend van haar pikante biografieën van onder meer Frank Sinatra en de familie Bush, vond desondanks honderden mensen bereid om al dan niet anoniem over Oprah te praten. De meesten zijn niet erg positief, en door hun medewerking aan dit boek verbranden ze waarschijnlijk hun laatste schepen achter zich.

Volgens een paar uit de school klappende familieleden, onder wie Oprah’s (niet-biologische) vader Vernon en haar tante Katharine, groeide Oprah veel minder ‘dirt-poor’ op dan ze later in interviews placht te vertellen. En zo zijn er wel meer kanttekeningen te plaatsen bij Oprah’s eigen versie van haar levensverhaal, maar Kelley’s poging tot deconstructie van de mythe slaagt maar ten dele. Ten eerste blijft er genoeg ellende over. Kind van een labiele tienermoeder; seksueel misbruikt tussen haar negende en haar veertiende en ongewenst zwanger op haar vijftiende. Oprah’s zoontje bleef vijf weken in leven en werd door de familie verzwegen als een schandvlek. Toen Oprah in 1984 debuteerde als presentatrice van de lokale ochtendshow A.M. Chicago had ze zich dus wel degelijk uit de goot omhoog gewerkt.

Daarbij lijdt Kelley aan een nogal cynische tunnelvisie, die het lezen van haar boek tot een afmattende bezigheid maakt. Ze is zo vastbesloten om het fenomeen een kopje kleiner te maken, dat ze niet eens een poging doet om te verklaren waarom juist Oprah Winfrey de top bereikte, en hoe ze er nu al een kwart eeuw weet te blijven. Laat haar jokken, mokken, pochen met haar rijkdom. Maar wat is haar geheim, haar X-Factor?

Hoe je succes bereikt in de Amerikaanse entertainmentindustrie, valt te destilleren uit een fascinerend boek. The Men Who Would Be King is een nauwgezette, spannend geschreven reconstructie van de opkomst en ondergang van wat hét moderne multimediabedrijf van Hollywood had moeten worden: DreamWorks. Als uit het boek namelijk iets blijkt, dan is het wel hoe vergankelijk roem en rijkdom zijn in de Amerikaanse meritocratie. Succes zonder degelijk fundament bestaat niet, blijkt duidelijk uit dit boek van verslaggeefster Nicole LaPorte.

Al voor de officiële lancering in oktober 1994 was de opwinding over DreamWorks in de pers tot grote hoogten gestegen. Drie van de machtigste, meest kleurrijke figuren in Hollywood bundelden hun krachten: filmproducent Jeffrey Katzenberg, berucht om zijn bemoeizucht maar bewonderd om de manier waarop hij de Disney Studio nieuw leven had ingeblazen; David Geffen, ontdekker van muziekacts als Nirvana en miljardair dankzij zijn brute onderhandelingstactieken; en Steven Spielberg, het als zachtaardig bekend staande filmgenie.

Hun motieven voor de samenwerking verschilden. Katzenberg, die bij Disney gepasseerd was voor de baan van tweede man, en er toen subiet vertrok, was uit op wraak. Wraak via de kassa: DreamWorks moest Disney verslaan als grootste producent van animatiefilms. Geffen, die voornamelijk op zijn jacht bivakkeerde en wiens werklust vroegtijdig dreigde weg te ebben, had zin om zijn naam weer eens aan iets spannends te verbinden en zich ook in de filmindustrie echt te laten gelden. Van Spielberg, die zich dankzij een comfortabele deal met Universal Studios tot dan toe maar weinig met aardse zaken als promotie en distributie van zijn films had hoeven inlaten, begrepen mensen niet waarom hij ervoor koos om zich los te maken en zijn fortuin en reputatie op het spel te zetten. LaPorte houdt het erop dat Spielberg het tijd vond om zelf de baas te worden, in plaats van voor anderen te werken. In zijn studio zouden artistieke argumenten zwaarder wegen dan commerciële, en zouden filmmakers het respect krijgen dat ze verdienden.

De drijfveren van de drie reuzen waren dus persoonlijk. Het knappe is dat LaPorte dat ondanks de taaie, grotendeels zakelijke feitenberg, geen moment uit het oog verliest. Contractonderhandelingen, winst- en verliescijfers, personeelswisselingen: LaPorte weet ze leven in te blazen, door ook de grote gevoelens erachter ruim baan te geven.

Elk hoofdstuk wordt zo een kort, spannend Hollywoodsprookje. Hoe de Oscaruitreiking van 1999 voor DreamWorks in een nachtmerrie eindigde toen het luchtige, gewiekst aan de man gebrachte Shakespeare In Love van concurrent Miramax tot beste film gekroond werd, in plaats van Spielbergs gedoodverfde winnaar Saving Private Ryan. Hoe DreamWorks zich twee jaar later revancheerde met Gladiator, waarvoor een nukkige Russell Crowe zich tegen zijn zin verlaagde tot stuntjes als een fotomoment voor het echte Colosseum in Rome. Hoe Shrek, een animatiefilm over een lelijke groene reus, uitgroeide van gedoemde verliespost tot de grootste zomerhit van 2001. De geschiedenis van DreamWorks is een zakelijke achtbaan.

Uiteindelijk wogen de successen niet op tegen de verliezen, of liever: niet tegen de verwachtingen van alle investeerders, werknemers en tijdelijk ingehuurde creatievelingen die in de magie van DreamWorks geloofden. LaPorte beticht de drie bazen van hubris, overmoed: ze dachten te vaak en te gemakkelijk dat er goud uit hun handen kwam en sleurden hun omgeving mee in die jubelstemming totdat een blik op het kasboek hen weer op aarde deed landen. Ze wilden te veel, van alles. In 2008 viel het drietal uit elkaar. Spielberg bleef achter met DreamWorks, de filmstudio, en Katzenberg met DreamWorks Animation, maar geen van beide bedrijven kan zonder steun van boven. Geffen verdween weer naar zijn jacht.

Nu de machtsgreep van dit drietal is mislukt, is er in Hollywood misschien wel ruimte voor een koningin. Oprah Winfrey heeft aangekondigd in september 2011 te zullen stoppen met haar talkshow en is bezig haar eigen tv-zender op te zetten: OWN, het Oprah Winfrey Network.

Kitty Kelley: Oprah. Een biografie. Sijthoff, 512 blz. € 19,95.

Nicole LaPorte: The Men Who Would Be King. An almost epic tale of moguls, movies, and a company called DreamWorks. Houghton Mifflin Harcourt Publ., 491 blz. € 27,99