Nieuwe staat kan niet zonder VN

Timorese agenten mogen voorlopig alleen het verkeer regelen. De VN blijven tot 2012 verantwoordelijk voor de veiligheid in de jonge staat. „Wij zijn klaar om alles over te nemen.”

Bij een wegversperring aan de rand van Dili, de hoofdstad van Timor-Leste, houden politieagenten van de VN uit Bangladesh, Pakistan en Maleisië de wacht. Zij bewaken het huis van president José Ramos-Horta, die op dezelfde plek begin 2008 ternauwernood een aanslag overleefde. Het eigen Timorese politiekorps mag alleen het verkeer regelen.

Timor-Leste (het vroegere Oost-Timor) staat acht jaar nadat het onafhankelijk werd van Indonesië nog steeds niet helemaal op eigen benen. De straten van Dili zijn vergeven van de Land Cruisers van UNPOL, de bijna 1.500 man sterke politiemacht van de Verenigde Naties. Die nam de ordehandhaving over nadat de Timorese politie in 2006 na grootschalig geweld uit elkaar was gevallen. In februari dit jaar verlengden de VN de politiemissie opnieuw; ditmaal tot 2012.

Dat is lang, vindt Afonso de Jesus, vervangend hoofdcommandant van de Polícia Nacional de Timor-Leste (PNTL), zoals de Timorese politie heet. „Wij zijn klaar om alles over te nemen”, zegt hij. Maar de regering heeft nu eenmaal afgesproken dat de VN-politie gefaseerd haar taken overdraagt aan de nationale politie en daar legt hij zich bij neer.

Net als alle andere staatsinstituties moest het justitiële systeem inclusief de politie in Timor-Leste – tot 1975 een kolonie van Portugal – van de grond af worden opgebouwd toen het land onafhankelijk werd van Indonesië. Dat gebeurde nadat de bevolking daar in 1999 per referendum voor had gekozen, waarna Indonesische troepen zich moordend en plunderend uit de voormalige provincie terugtrokken.

De VN stuurde een internationale vredemacht om de orde te herstellen en vormde een interim-regering om de nieuwe staat op weg te helpen. In mei 2002 werd Timor-Leste een nieuwe staat. Drie jaar later vertrok de vredesmacht.

Nog geen jaar later brak in Dili opnieuw de hel los. Politie en leger vielen uiteen in politieke en geografische facties: leger tegen politie, het oosten van het land tegen het westen, de vertrouwelingen van de toenmalige minister van binnenlandse zaken tegen die van de vorige president.

De Jesus van de nationale politie was erbij toen soldaten het vuur openden op politiemensen, om de hoek van het VN-hoofdkwartier. Negen agenten kwamen om, onder wie de man die naast hem in de auto zat. Uiteindelijk vielen er ruim 30 doden, werden 8.000 huizen in brand gestoken en ontvluchtten 150.000 mensen hun huizen.

De VN herstelde opnieuw de openbare orde met een internationale vredesmacht. De leiding van de politie in Dili was geheel weggevallen. De Verenigde Naties begonnen samen met PNTL een screening waarbij van elke agent werd onderzocht of hij betrokken was geweest bij het geweld. De VN gingen agenten opleiden, die vaak maar drie maanden training hadden gehad.

De nieuwe regering, die in 2007 werd gekozen, probeerde ook de stabiliteit terug te brengen door pensioenen te geven aan ouderen en voormalige guerrillastrijders van het rebellenlegertje Falintil (Forças Armadas da Libertação Nacional de Timor-Leste). Veel ex-Falintilstrijders waren nu werkloos en vormden een potentiële bron voor nieuwe problemen. Vice-premier José Luis Guterres: „Het is een erkenning voor de mannen die jarenlang in de jungle hebben geleefd. En het maakt het land stabiel.”

Desondanks bleef het onrustig, zoals in februari 2008 bleek. Rebellerende militairen namen president Ramos-Horta en premier Xanana Gusmao onder vuur. De eerste raakte zwaar gewond, Gusmao kon ontkomen. De rebellenleider werd doodgeschoten door Ramos-Horta’s bodyguards.

Toch wordt de affaire achteraf gezien als bewijs dat het land vooruitgang heeft geboekt. Politie en leger werkten samen om de plegers van de aanslag te arresteren. „In 2006 waren we nog vijanden van het leger”, zegt De Jesus. Ander geweld bleef uit en de rebellen gaven zich over en werden veroordeeld.

„Timor-Leste is nu een veel stabieler land”, zegt politiecommissaris Luis Miguel Carrilho, de Portugees die UNPOL leidt. Het laatste vluchtelingenkamp ging begin dit jaar dicht. De VN hebben in zes van de dertien districten het commando overgedragen aan de lokale politie. Bijna alle agenten zijn gescreend, in totaal zijn er volgens De Jesus zo’n dertig ontslagen. Op straat is het veilig; UNPOL houdt zich vooral bezig met mannen die te veel palmwijn hebben gedronken en hun vrouw een pak slaag geven. „We geloven dat we een geloofwaardige politiemacht zullen achterlaten”, zegt Carrilho.

Desondanks durft niemand te zeggen dat de dreiging van nieuw geweld voorbij is. De vetes binnen de elite die een oorzaak waren van de crisis in 2006, bestaan nog steeds. Daar komt bij dat veel Timorezen weinig vertrouwen hebben in politie en rechtssysteem. Bijna alle verantwoordelijken voor het geweld in 1999 en in 2006 zijn ongestraft gebleven. Maar op dit moment maken Timorezen zich meer druk over de economie. Zoals Isabel Barreto, die op een markt in Dili bonen verkoopt. „De crisis is niet meer zoals in 2006, dat de mensen met elkaar vechten”, zegt ze. „De crisis is nu de werkloosheid van de jongeren.” Geen van haar vijf kinderen heeft een baan.