Nederlandse vrouwen gemaakt voor het sprinten

De Nederlandse zwemsters zijn al jaren de sterkste op de 4x100 meter vrije slag. De ploeg is gehavend bij de EK, maar andere landen zijn nog steeds jaloers.

Nederlandse vrouwen – ze zijn gemaakt voor de sprint in een zwembad. Vergelijk het met Jamaicaanse mannen die genetisch een voorsprong hebben op de 100 meter hardlopen, zoals zwemcoach Jacco Verhaeren denkt. Neem Ilse Kraaijeveld, uit Dokkum: 19 jaar oud, 1,88 meter lang, 70 kilo zwaar. „Daar kunnen ze in het buitenland alleen maar van dromen’’, zegt Verhaeren. „Andere landen hebben echt minder van zulke zwemsters dan wij.”

De hoofdcoach van de zwemploeg neemt haar na de zomer pas op in zijn selecte trainingsgroep in Eindhoven, maar Kraaijeveld maakt nu al haar debuut bij de EK langebaan in Boedapest. Vanochtend meldde ze zich in het Alfréd Hajós zwemstadion voor de 4x100 meter vrije slag, het nummer waarop Nederland de laatste jaren alles won wat er te winnen valt. Met oranje teennagels, want zo hoort dat in de estafetteploeg.

Van de Golden Girls die in Peking (2008) olympisch kampioen werden en in Rome (2009) wereldkampioen, klom vandaag alleen Femke Heemskerk op het startblok. Marleen Veldhuis beviel onlangs van een dochter, Inge Dekker herstelt van een schouderkwetsuur en Ranomi Kromowidjojo werd vorige maand getroffen door een hersenvliesontsteking. „Heel vervelend voor Inge en Ranomi”, zegt Verhaeren. „Door de afwezigheid van hen en Marleen kunnen we vijf of zes medailles wegstrepen op dit toernooi. Maar dat heb ik naast me neergelegd. Dit geeft andere zwemsters kansen.”

Wat heet, het nieuwe kwartet, met Heemskerk (22), Kraaijeveld, Elise Bouwens (19) en Saskia de Jonge zwom vanmiddag in de series brutaal de tweede tijd, achter Duitsland. En als het aan Heemskerk ligt, zit er vanavond zelfs een medaille in. „Ik zou ons zeker niet afschrijven.” Volgens haar had de concurrentie vanochtend verbaasd toegekeken hoe op het Margiteiland in de Donau „een nieuw blik” Hollandse sprintsters werd opengetrokken. „Het is niet makkelijk die grote namen te vervangen, maar ik vind het heel mooi dat ik die kans krijg om ervaring te doen”, zei Kraaijeveld na de race.

Maar Verhaeren plaatste de ‘tweede garnituur’ in Nederland even in Europees perspectief. „Ilse Kraaijeveld is nummer vier van Nederland op de 100 vrij, misschien vijf als Marleen terug is. In Frankrijk en Italië zou Ilse gewoon kampioen worden, in Duitsland zou ze de estafette zwemmen, en ze zou met twee vingers in de neus Spaans kampioen worden. Het niveau op de 100 vrij is bij ons ongekend hoog.”

Die luxepositie is niet alleen te danken aan de lichaamsbouw in het noorden van Europa. Het heeft ook te maken met de trainingscultuur. In landen als Engeland, Frankrijk, Italië en Spanje zwemmen jongeren vaak al veel meer kilometers dan hun Nederlandse collega’s. Verhaeren: „In Nederland trainen we van jongsaf aan minder, maar wel harder. Eigenlijk komt dat door een gebrek aan trainingsfaciliteiten. Maar zo ontwikkelen we als vanzelf meer sprinters.”

Bovendien, zo lijkt het, storten alle Nederlandse zwemmers zich op het koningsnummer. De magie ervan is vergelijkbaar met die van de 100 meter in de atletiek. „Elke beginnende zwemmer droomt ervan olympisch kampioen 100 vrij te worden. Zoals elke jonge atleet de nieuwe Usain Bolt wil worden. Iemand begint niet met atletiek om olympisch kampioen 50 kilometer snelwandelen te worden. Geloof me, de reden dat Michael Phelps doorgaat met zwemmen is dat hij olympisch kampioen 100 meter vrij wil worden. Dat is het nummer dat telt”, zegt Verhaeren.

Bij de Nederlandse vrouwen resulteerde de liefde voor de sprint na het tijdperk-Inge de Bruijn in een moordende concurrentiestrijd. Voor ‘Peking’ kon Verhaeren kiezen uit liefst acht zwemsters die de estafettelimiet hadden gehaald. Volgens Heemskerk was die overvloed „een van de sleutels” tot het succes. „We hadden zo’n sterk team dat je geen honderdste van een seconde kon laten liggen of je lag eruit. Bij de EK langebaan van 2008 was het moeilijker in de Nederlandse estafetteploeg te komen dan met dat team Europees kampioen te worden. Met een wereldrecord.”

Mede om die reden is Verhaeren niet zo somber over de afwezigheid van drie leden van zijn superkwartet. „Voor een olympische estafette heb je aan vier topzwemsters niet genoeg, ook als Marleen, Ranomi, Inge en Femke op de Spelen van Londen zwemmen. Je hebt eigenlijk – en dat hebben we in Nederland – een stuk of acht zwemsters nodig die op hoog niveau presteren. Iedereen moet vervangbaar zijn, ook al is dat natuurlijk niet op hetzelfde niveau. Je hebt altijd de beste vier en de rest. Dat hebben alle sterke zwemlanden. Als Phelps niet met de Amerikaanse ploeg meedoet op de 4x200 meter vrije slag maakt dat wel een verschil, maar het betekent niet dat ze geen medaille winnen.”

Bij de Nederlandse mannen, die op de 4x200 vrij in de buurt komen van de top, ziet Verhaeren het verschil. „We zijn daar te breekbaar, met vier, vijf of zes mensen. Iemand kan geblesseerd raken of ziek worden. In een winnende estafette moet je ook mensen kunnen sparen. Je wordt geen olympisch kampioen als je de series moet zwemmen met dezelfde vier als in de finale. Ga alle olympische estafettes maar na, je kunt niet winnen met vier zwemmers. Niks is frustrerender dan met je sterkste kwartet als vijfde de finale te bereiken, terwijl drie andere landen in die finale nog een snellere zwemster kunnen inbrengen. Als je dat kunt heb je een mentale voorsprong.”