Jongensdromen

Langzaam werd de spelersbus voor de trap van het hotel gereden. Mensen van alle leeftijden stonden op van hun stoel op het terras van het aanpalende restaurant, jongetjes stormden naar de uitgang van het hotel. Nu zouden de voetballers naar buiten komen, nu was het de kans van hun leven om beroemde voetballers van nabij te zien, hen iets toe te roepen of zelfs aan te raken.

De mensen op het terras en vooral de jongetjes raakten opgewonden. Een voor een sloften de voetballers naar buiten. Quasinonchalant, handen in de zakken van hun prachtige trainingspakken, het stoere gezicht op onverschillig. Zonder een spoor van emotie, zonder ook maar een schijn van een glimlach lieten ze zich begroeten en deelden ze handtekeningen uit, alvorens ze sloom en gefocust op de wedstrijd die over twee uur zou beginnen de bus instapten. Toen alle spelers achter de geblindeerde ramen waren verdwenen reed de bus weg, gevolgd door alle mensen op het terras en uitgezwaaid door de jongetjes met de veroverde handtekening van hun helden.

Dit was waar ik als jongetje van droomde. Zo te kunnen zijn als die voetballers die zojuist vanuit het hotel naar de bus waren gesloft. Quasinonchalant, handen in de zakken van een prachtig trainingspak, mijn stoere gezicht op onverschillig, zonder een spoor van emotie handtekeningen uitdelend, alvorens sloom in de bus te stappen. Vanachter de geblindeerde ramen had ik dan naar het terras gekeken en stilletjes genoten van jongetjes die met mijn handtekening pronkten.

De jongensdroom van deze voetballers is uitgekomen. Zouden ze dat beseffen? Dat zij hebben bereikt waar de jongetjes op de trap van dromen? Dat ze bewonderd, zelfs aanbeden worden, dat ze helden zijn, rolmodellen. Of zijn ze dat vergeten? Zijn ze vergeten dat ze jong zijn geweest, hebben gedroomd van heldendom, en later wilden pronken met hun prachtige trainingspak?

Vaak heb ik het idee dat beroemde voetballers niet beseffen hoe belangrijk hun gedrag is. Alles wat ze doen is een voorbeeld voor de jeugd. Ik wilde als jongen spelen in witte kousen, een witte broek en een wit shirt, zoals de spelers van Real Madrid. Als ik me zo kleedde voelde ik me een speler van Real. Ik wilde de bewegingen van Real-spelers imiteren. Ik juichte zoals de spelers die mijn voorbeeld waren. Ik liep als een Real-speler, ik maakte overtredingen zoals Real-spelers die maakten. Als een Real-speler een grove overtreding à la Mark van Bommel had gemaakt, had ik dat ook gedaan. In het ‘koninklijke wit’ van Real was ik uitverkoren.

Cool, calm and collected op weg naar de spelersbus sloffen of grof een tegenstander onderuitschoppen en vervolgens de scheidsrechter uitschelden als je een gele kaart krijgt. Dat zien deze jongetjes. Voorbeeldgedrag dus.

Kijkend naar de jongetjes voelde ik me 13 jaar. In 1962 holde ik op de Wageningse Berg achter de bal aan die Eusebio, sterspeler van Benfica, op de training naast het doel had geschoten. Ik schoof de bal binnenkant voet terug naar Eusebio. De Portugees kwam naar me toe, lachte zijn mooiste lach en aaide me over mijn hoofd. Vanaf dat moment was Eusebio heilig. Hij was mijn voorbeeld. Een dag later scoorde hij in de finale van de Europa Cup tegen Real Madrid drie keer. Benfica won met 5-3. Eusebio was mijn held voor het leven. Jongensdromen.

Wilfried de Jong is op vakantie