Infiltratie en taps mogen niet op Antillen

Justitie op Aruba en de Antillen kan niet of nauwelijks meer gebruik maken van bijzondere opsporingsmethoden zoals telefoontaps, observatie of de inzet van burgerinfiltranten. De wettelijke basis daarvoor ontbreekt.

Dat vloeit voort uit een uitspraak eerder dit jaar van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in Willemstad. Sindsdien maakt het Openbaar Ministerie op de Antillen en Aruba bij grote onderzoeken zo min mogelijk gebruik van bijzondere opsporingsmiddelen om te voorkomen dat zij door de rechter niet ontvankelijk wordt verklaard of bewijslast ongeldig wordt verklaard. Dat laatste is op Sint Maarten en Aruba al gebeurd.

„We zijn nu beperkt in onze opsporingsmogelijkheden”, zegt de Arubaanse hoofdofficier van justitie Peter Blanken. „De politiek moet haast maken met een wettelijke regeling.”

Aruba en de Antillen gelden als belangrijke doorvoerhavens van drugs, wapens en illegale geldstromen. Justitie werkt daar samen met buitenlandse en Nederlandse opsporingsdiensten in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. In juni onderschepten de Nederlandse marine en de kustwacht van de Antillen en Aruba een transport van ruim 1.320 kilo cocaïne. Vorig jaar legde justitie nog een netwerk van vastgoedfraude en cocaïnesmokkel bloot op Bonaire, met vertakkingen naar Venezuela, Amerika, Frankrijk en Nederland.

Maar het Antilliaanse en Arubaanse strafrecht kent geen wet die bijzondere opsporingsbevoegdheden regelt, zoals in Nederland sinds 2000 het geval is met de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden. Inzet ervan op de Antillen en Aruba gebeurde tot februari op basis van een richtlijn van de procureurs-generaal. Maar dat is volgens het Gemeenschappelijk Hof in Willemstad in strijd met het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens.

Antillen: pagina 3