Hoor je hoe dat motortje snort?

Deze zomer duikt nrc.next in het verenigingsleven.

Vandaag: DAF Club Nederland. „De leus ‘iederen kan autorijden’ werd verkeerd opgepikt.”

. Rond half drie arriveerde ik dan eindelijk bij de boerderij van Herman Robberts in Voorst, waar de DAF Club Nederland ‘een koffieklets met onderdelenverkoop’ organiseerde. In de weilanden rondom de boerderij stonden DAF-jes. Tussen de auto’s scharrelden leden van de vereniging. Er waren ook kraampjes, waar onderdelen werden verhandeld.

De heer Robberts – eigenaar van meer dan honderd DAF-jes – had een deel van zijn verzameling in een stal gezet. Er tussenin tafels met geblokte kleedjes. In het kleine keukentje naast de stal stond hij met een theedoek op het hoofd poffertjes te bakken. Hij werd geholpen door twee oudere vrouwen in schorten. De een nam de bestellingen op, de ander ging over de poedersuiker en de klontjes boter. Voor de keukendeur stond een rij wachtenden, die je niet zomaar kon passeren.

Op zoek naar mevrouw Esther van de Burgt, secretaris van de vereniging. Zij deed de perscontacten en stond al een uur of twee op de uitkijk.

Hè, hè... daar waren we dan!

Ze gaf me twee bierglazen – „Cadeautje van meneer Robberts, die verzamelt van alles en wil d’r vanaf” – en een halve jaargang van clubblad Variomatic.

Ze begon over de vereniging, die 35 jaar nadat de laatste DAF van de band rolde, steeds groter groeide. „De grote doelstelling is om de DAF-personenauto rijdend te houden.”

En voor de rest was het bij de DAF-club gewoon knoert-gezellig.

DAF-rijders had je in alle soorten en maten, maar onderling was er nooit gedonder of rottigheid. Tourtochten, kampeervakanties en koffieklets: alles verliep in grote harmonie. „Het soort gezelligheid, waarvan je denkt dat het niet meer bestaat.”

Ze stelde me voor aan Alice van Iersel, voorzitter van de technische commissie.

Het eerste wat Alice zei was: „Mijn vriend heeft er zestien!”

Hup, naar buiten!

De vriend droeg rubberlaarzen en stond bij een kraam met onderdelen.

Ik wist maar één vraag: „Waarom?”

„Ja, waarom”, zei de vriend. „Waarom zijn de bananen krom? Ik denk dat het de aard van het beestje is.”

En hij zei ook: „Van het een komt het ander... En je komt er niet meer vanaf.”

Geen kwaad woord over Esther van de Burgt, zonder twijfel een geweldige secretaris voor de vereniging, maar door haar enthousiaste begeleiding – meer klets dan koffie – raakte ik de kluts volledig kwijt. Daar stond ik dan. Op een weiland vol DAF-jes, omringd door een aanzwellende groep enthousiaste vreemden. Ze keken me allemaal aan, hingen hele verhalen op over hun DAF44, DAF55 of DAF46, legden uit hoe de Variomatic-motor werkte en roemden het verenigingsleven. Wie bij welk gezicht hoorde, wist ik toen allang niet meer.

Ik wilde een stukje rijden.

Dat kon.

Patrick, de vriend van Esther, zat achter het stuur van zijn DAF. Hij had vijf DAF-jes en een Volvo en werkte op het hoofdkantoor van de Rabobank. Op zijn werkkamer had hij „een wall of fame” gemaakt, want hij had vanwege zijn DAF-jes al vaker in de krant gestaan. Collega’s keken daar soms met een zekere jaloezie naar.

De auto waarmee we rustig rondom Voorst toerden, had hij zelf opgeknapt. Zelfs de velgen klopten.

Op de achterbank zat Hans, die al jaren lid was. Vanwege een ziekte had hij al zijn DAF-jes – „een stuk of vijftien” – weg moeten doen.

„Je kreeg ze gewoon, mensen gaven ze weg”, zei hij.

Patrick zei dat DAF vroeger een slecht imago had vanwege foute reclamecampagnes. „De leus ‘Iedereen kan autorijden’ werd verkeerd opgepikt.”

Hans: „Ze zeiden: Iedere maf rijdt in een DAF.”

Patrick: „Wat een flauwekul....”

Na een korte stilte: „Hoor je hoe fijn dat motortje snort?”

Op de boerderij stond Herman Robberts nog steeds poffertjes te bakken. De autohobby was een beetje uit de hand gelopen. Hij had achter zijn boerderij zoveel troep verzameld dat hij het overzicht ook wel eens kwijt was.

„Ik kan niets weggooien. Dat is het probleem. En dan heb ik ook nog een passie voor Roemenië...”

De deftige mevrouw, die bestellingen opnam, vond het „een apart gesprek”. Of ik geen vragen over poffertjes wist, want die van Herman waren legendarisch. Ze geloofde er „geen snars” van dat een landelijke krant uit de Randstad een verslaggever naar de keuken van een boerderij in Voorst had gestuurd.

„Verslaggevers dragen een badge, meneer!”

Dat had ze zelf gezien. Op het journaal. Ze richtte zich tot de poffertjesbakker.

„Ik ben waakzaam, Herman. Ik ben waakzaam!”

De oudere leden zaten aan de tafels in de stal en hadden de grootste lol. Mijn buurman haalde regelmatig het kunstgebit uit de mond.

Een mevrouw uit Groningen, die vroeger iets hoogs was bij de club, zei dat ze de DAF weg hadden gedaan. „We hebben bij de seniorenflat maar één garage. Ik wilde niet dat de DAF in de regen zou staan. Hij is nu bij mensen die er goed voor zorgen.”

Zij en haar man waren met de snellere auto gekomen, waarvan ze het merk niet wilde noemen. Ze hadden hem een paar weilanden verderop geparkeerd.

De laatste keer dat ze mee was op het kampeerweekend van de club was ze uitgevallen tegen jeugdige leden, die om drie uur ’s nachts vuurwerk afstaken.

Het verschil met andere verenigingen was dat het bij de DAF Club Nederland altijd weer goed kwam. „De volgende dag zeiden we tegen elkaar: ‘Zand erover’. We hebben er nooit meer over gesproken.”

Bij het verlaten van het terrein nam ik afscheid van Esther en Patrick, die elkaar een paar jaar eerder bij de DAF-club hadden leren kennen.

Esther: „Klopt ja, mijn ex is ook lid.”

Patrick: „Dat is het verenigingsleven. Zo gaan die dingen.”

Op de vraag wat ze zouden doen als de DAF-club niet zou bestaan, zei Patrick: „Dan storten we ons op de andere hobby’s.”

Esther: „Vijf parkieten, de aardewerk-collectie en het verzamelen van autokwartetten.”

Morgen op deze pagina’s bezoekt Emily Gordts de Vereniging voor Verlegen Mensen.