Wild plassen

Onlangs was ik op een zondag onderweg naar het literatuurfestival in Keulen. Akelig vroeg nam ik de trein naar Utrecht. Daar moest ik overstappen. Ik had nog 25 minuten. Ik moest ontzettend nodig. Noch in het station, noch verderop in Hoog Catharijne was al iets open waar je wat kon gebruiken en en passant naar het toilet kon gaan. Wat te doen?

Ik haastte mij naar buiten. Ergens moest toch een plekje te vinden zijn waar ik zou kunnen urineren. Ik ben heus geen habituele wildplasser, maar de nood was buitengewoon hoog. Ik kwam terecht in een spelonkachtige omgeving met griezelig hoge kantoorgebouwen. Tussen een van die gebouwen was een smalle corridor. Ik liep erin, ik zag een nisje, er groeide wat armetierige fijnstraal die best wat water kon gebruiken.

Er was geen mens te zien, dus ik knoopte mijn gulp open en gaf het fijnstraal water. Adri van der Heijden heeft in een van zijn boeken prachtig beschreven hoe iemand naar niets anders meer uitziet dan wateren, en welk een kolossale opluchting zich van die persoon meester maakt als hij eindelijk kan lozen. Welnu, ik voelde mij daar in Utrecht als die persoon, en in gedachten nam ik even diep de hoed af voor mijn collega die deze vorm van wateroverlast zo superieur verwoord heeft.

Ondanks mijn leeftijd is er, als ik mijn blaas leeg, nog sprake van schallend geklater. Ik kan mijn plas ook nog lang ophouden. Zondag j.l. bijvoorbeeld heb ik als Zomergast drie uur op een stoel gezeten en hoefde ik tussendoor niet naar het toilet. Jelle Brandt Corstius is halverwege wel op een drafje naar de wc geweest.

Waarschijnlijk dank ik deze meevaller aan mijn Engelse zwager. Hij is chemicus. Twintig jaar geleden zei hij tegen mij: „In pompoenpitten zit een stofje dat de prostaat onder de duim houdt. Eet daarom elke dag een handje gepelde pompoenpitten.” Dus dat doe ik inmiddels al twee decennia. Behalve dat stofje in pompoenpitten schijnt ook de lycopeen uit tomaten de prostaat onder de duim te houden, dus ik verorber ook zoveel mogelijk tomaten. Jammer genoeg komt de lycopeen pas echt vrij als je de tomaten omzet in tomatensoep of tomatensaus. Rauwe tomaten schijnen minder heilzaam te zijn. Spijtig, want wat is er lekkerder dan een rauw kerstomaatje ?

Mijn pis klaterde dus over de fijnstraal. Een reusachtige opluchting was mijn deel, maar toen, opeens klonk er een zware stem: „Meneer, wilt u dat ogenblikkelijk laten.”

Ik keek om mij heen. Niemand te zien. Waar kwam die stem vandaan? Het leek alsof het geluid, net als in twee befaamde bijbelpassages waar opeens een stem uit de hemel komt, ergens vanuit het zwerk op mij neerdaalde. Weer klonk de stem: „Gore oude zeikerd, houd op.” Maar ja, heb je eenmaal de kraan open gezet dan is het niet zo eenvoudig, en daarnaast bovendien ook ongezond, om de kraan weer dicht te draaien. Dus ik bleef het fijnstraal besproeien.

Weer die stem, nu een woord uitbrakend waar de Bond tegen het vloeken al jarenlang bezwaar tegen maakt. Ik was inmiddels, de knoop uit de hemel ten spijt, over de eerste schrik heen. Ik dacht: ergens in dat reusachtige gebouw zit iemand achter een beeldscherm. Via een gesloten tv-circuit beloert hij alles wat zich rondom het gebouw afspeelt. Ik ging ervan uit dat die man nooit in staat zou zijn zich zo snel vanachter zijn beeldscherm(en) vandaan naar buiten te spoeden dat hij mij het urineren kon beletten. Dus ik piste rustig door. Er klonk opeens woest hondengeblaf. Daar schrok ik wel van, maar ook dat, begreep ik, kwam uit een luidspreker. Dus ik heb mijn hele blaas geleegd en ben waardig terug geschreden naar het station, mij erover verbazend dat men aldus zo verbazend inadequaat het wild plassen probeert te bestrijden.