Uit de vuurlinie, in de misère

Amerikaanse veteranen met gevechtservaring zijn na hun diensttijd vaker arbeidsongeschikt en werkloos dan hun kameraden die nooit onder vuur hebben gelegen.

Deze maand verlaten de laatste Amerikaanse gevechtstroepen Irak. De voorbije acht jaar is het Amerikaanse leger onafgebroken in oorlog geweest. Daarbij zijn 3.000 militairen gesneuveld en raakten 36.000 gewond. Het is de derde keer sinds de Tweede Wereldoorlog dat een generatie Amerikanen langdurig blootstaat aan oorlogshandelingen. Veel veteranen van de oorlogen in Korea en Vietnam hadden problemen bij terugkeer in het burgerbestaan. Die blijken verband te houden met hun gevechtservaringen.

De technologische ontwikkeling heeft de oorlogvoering veranderd. De kans op overleving na een ernstige verwonding die vroeger dodelijk was, is toegenomen. Een eeuw geleden kwamen er meer soldaten te velde om door ziekten, nu meer door ongelukken en vijandelijk vuur – en hun kameraden zijn daar getuige van. In gevechtssituaties voelen soldaten zich afwisselend verveeld, bang, boos, ellendig en eenzaam. Als ze orders krijgen op de vijand te schieten wordt hun gevraagd een sociale norm te overtreden. Veteranen met gevechtservaring kampen dan ook met een slechtere lichamelijke en geestelijke gezondheid dan mensen die niet in dienst zijn geweest en collega’s die nooit een gevecht hebben meegemaakt. Ze lijden vaak onder post-traumatische stress: ze worden geplaagd door zich opdringende flashbacks, zijn in zichzelf gekeerd en extreem prikkelbaar.

Volgens de Amerikaanse sociologe Alair MacLean, wetenschappelijk medewerker aan Washington State University in Vancouver, breekt gevechtservaring soldaten in hun latere leven op. Zij heeft zich toegelegd op de gevolgen die oorlogen hebben voor de levensloop van mensen. In het augustusnummer van de American Sociological Review rapporteert ze over haar onderzoek naar het verband tussen gevechtservaring, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Het is de eerste keer dat dit op deze schaal is onderzocht.

MacLean analyseerde de levensloopgegevens die zijn opgenomen in de Panel Study of Income Dynamics (PSID), een onderzoek dat sinds 1968 jaarlijks wordt uitgevoerd onder een grote steekproef van Amerikanen. Die bevat onder meer gedetailleerde gegevens over vervulde militaire dienst. MacLean betrok alle mannen in haar onderzoek die in de jaren 1968-2003 tussen de 25 en 55 jaar oud waren.

In de onderzoeksperiode bleef het percentage arbeidsongeschikten onder degenen die niet in dienst waren geweest en onder veteranen zonder gevechtservaring stabiel; het schommelde rond de 10 procent. Niet-veteranen waren iets vaker arbeidsongeschikt dan veteranen zonder gevechtservaring. Dit verschil schrijft MacLean toe aan de selectiecriteria waaraan rekruten moeten voldoen. Veteranen die in de vuurlinie hadden gelegen waren in alle jaarpeilingen vaker arbeidsongeschikt dan niet-veteranen. Het percentage arbeidsongeschikten in deze groep steeg van ruim 10 procent in 1968 tot 30 procent in 2003. Na de oorlog in Vietnam werd de onderzochte groep veteranen steeds ouder, terwijl de groep niet-veteranen werd aangevuld met jongeren. Gezien hun klimmende leeftijd namen de gezondheidsklachten van alle veteranen toe, maar bij degenen met gevechtservaring sneller.

In alle survey-jaren hadden de veteranen met gevechtservaring een grotere kans op werkloosheid dan veteranen zonder die heftige ervaring. De gevolgen van een verblijf in de vuurlinie blijken negatief te zijn, ongeacht de maatschappelijke achtergrond of de sociaal-economische status van de veteranen voordat ze dienst namen.