Ruilen zonder huilen

Waarom duur in een hotel gaan tijdens de vakantie als via internet huizenruil zo makkelijk is? Viktor Frölke over zijn ervaringen met ruilvakantiehuizen.

Bij terugkomst van vakantie zijn we niet verbaasd dat de alleenstaande New Yorkse marketingprofessor met wie mijn vrouw en ik huizen hebben geruild de vloer van ons appartement niet heeft gedweild, dat hij zijn tandpasta heeft laten liggen, en dat hij, al dan niet met opzet, een fles helemaal niet zo slechte Australische chardonnay heeft achtergelaten.

Ook zijn we niet verbaasd om van onze alwetende buurman te horen dat de professor zijn verblijf in Amsterdam vooral heeft gebruikt om met een vriend midden in de nacht in onze achtertuin sigaretten van een zekere substantie te roken, begeleid door muziek uit de iPad die hij bij aankomst bij zich droeg als betrof het zijn baby. Nee, het enige wat me verbaast is hoe hij de boerenkaas die nog in de koelkast lag heeft toegetakeld. Waarschijnlijk met het grootste vleesmes uit het messenblok is hij de kaas te lijf gegaan, er stukken uithakkend als was het een boomstam.

Was de New Yorker onbekend met de kaasschaaf? Had hij een vreetkick?

Laat er geen misverstand over bestaan: huizenruilen is een fabuleus idee. Het bestaat waarschijnlijk al zolang er huizen bestaan, en zeker sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, toen in bepaalde kringen iedereen over elkaars bezit moest kunnen beschikken, maar het is door de komst van allerlei websites een stuk makkelijker geworden. Dat huizenruilen alleen zou zijn weggelegd voor studenten en andere armlastige types die te beroerd zijn om in een hotel te gaan zitten is een misverstand. Ook mensen met grote huizen ruilen. Allicht: hoe groter het huis, hoe groter de ruimte die leeg staat als de bewoner voor korte of langere tijd weg is. En hoe groter het huis dat kan worden betrokken op de plaats van bestemming. Hoe leuk een groot huis ook is, een groot huis op een andere plek is niet zelden leuker.

De kunst bij huizenruilen, zoals bij zoveel, is zorgen dat je aan de goede kant zit van de transactie. Ik durf te zeggen dat dit bij onze voorlaatste ruil inderdaad het geval was. Goed, de bungalow waar we in terechtkwamen was dan weliswaar niet aan de Côte d’Azur gelegen, maar hij beschikte wel over drie slaapkamers en een kinderkamer, een reusachtige keuken en dito tuin, alsmede twee zwembaden waarvan één verwarmd. Hoe jubelend ik ons appartement in de Amsterdamse Rivierenbuurt op ruilwebsites als Homeswap of Diggsville ook zou omschrijven, en hoe aantrekkelijk mijn vrouws foto’s van onze postzegeltuin ook ogen, een zwembad zit er niet in, laat staan een verwarmd. Wij mogen al blij zijn als de douche het doet. Gelukkig ruilden we met Britten. Britten klagen niet. Die zijn te beleefd om je de waarheid te zeggen. Daar staat tegenover dat ze heel veel vragen stellen – ook tijdens en na de ruil, tot vermoeiens toe. „Waarom doet internet het niet?” „Wat doen we met het vuilnis?” „Ik heb mezelf buitengesloten. Hoe kom ik binnen?”

Huizenruilen is modern avontuur, en dat is, na de gesloten beurzen, misschien wel de beste reden om het te doen. Het appartement van de New Yorkse marketingprofessor waar we net van terugkomen bleek niet alleen op de dertigste verdieping te liggen van een flat met schitterend uitzicht over Manhattan, er stond ook een drumstel. De marketingprofessor had niet gezegd dat we daarop niet mochten spelen. De flatscreen in de living was groter dan wij durfden dromen. In de boekenkast prijkte het verzameld werk van Noam Chomsky. Alleen het beddengoed waarmee het bed was opgemaakt viel tegen. Het bevatte talrijke gele, en andere, non-descripte vlekken. Na lang zoeken vonden we iets schoners. Maar hier hebben we uiteraard niets van gezegd. Net zoals we niets hebben gezegd over de manier waarop hij ons appartement heeft achtergelaten. Beggars can’t be choosers. En trouwens, over een paar maanden willen we wéér.

Youp van ’t Hek is volgende week terug van vakantie, en hervat zijn column op zaterdag 14 augustus.