Liberalen op de bagagedrager van het volk

Verontwaardiging over politieke samenwerking met de PVV is in de VVD ver te zoeken. Niet verwonderlijk: de verrechtsing van de VVD is al langer gaande en intern is het rustig.

Voormalig partijleider Hans Wiegel klaagde er vaak over: De VVD-kiezers zijn rechts, de leden gematigd en de Kamerfractie ronduit links. Hijzelf beschouwde zichzelf allerminst als links en probeerde zijn Haagse omgeving te doodringen van geluiden uit het eigen electoraat.

Mark Rutte hoeft dat deze dagen niet te doen. De volksvertegenwoordigers en bestuurders van de VVD zitten tegenwoordig nagenoeg op één lijn met hun kiezers. De VVD is een rechtse partij.

De huidige eensgezindheid was de afgelopen weken goed zichtbaar tijdens de onderhandelingen over Paars Plus, een kabinet met de PvdA. Honderden woedende en teleurgestelde reacties kwamen binnen op de website van de partij. Strekking: een stem op de VVD mag niet bijdragen aan regeringsdeelname van de PvdA. Ook prominenten klaagden openlijk, zoals Patrick van Schie, de directeur van het wetenschappelijk bureau. De eerste voorkeur van de VVD, zo bracht Rutte in herinnering, was een kabinet over rechts.

Nu zo’n kabinet in beeld komt – zij het via een gedoogvariant – heeft slechts één prominente VVD’er aan de bel getrokken: oud-Kamervoorzitter Frans Weisglas. Hij meent dat een liberale partij niet hoort samen te werken met „een partij die stelselmatig hele bevolkingsgroepen discrimineert”.

Een rondgang langs VVD’ers leert dat de stemming over een rechts minderheidskabinet varieert van tevredenheid tot berusting. Verontwaardiging is niet op te tekenen. Ook niet bij verklaarde voorstanders van Paars Plus, zoals oud-voorzitter Bas Eenhoorn. „Nu niet mogelijk is gebleken wat ik wilde, wacht ik rustig af wat de uitkomst van de onderhandelingen is.” Eenhoorn merkt bij partijgenoten om hem heen een stemming – „geen afspraak!” – van: laten we Rutte nu niet voor de voeten lopen. Oud-minister Pieter Winsemius, die ook bekendstaat als links-georiënteerd, voelt „geen enkele behoefte” om nu iets te zeggen, maar Ferry Houterman, de oud-fractievoorzitter in de raad van Amsterdam, spreekt namens zijn „bloedgroep” als hij zegt: „Paars Plus of dit: het is kiezen tussen hoofdpijn en maagpijn. Maar als ik het slagveld zo overzie, dan begrijp ik dat we dit nu moeten doen. Helaas.” Kritischer wordt het niet.

Het verlangen naar een rechts kabinet, zelfs met de PVV van Geert Wilders, is een sluitstuk van een ontwikkeling die begon na de Fortuynrevolte. Die inspireerde enkelen in de partijtop aanvankelijk vooral tot voorstellen die moesten leiden tot meer directe democratie. Maar ze gaf ook de conservatieve vleugel meer invloed, zeker na het vertrek van Geert Wilders. Daarbovenop kwam intern onderzoek, dat leidde tot de keuze van enkele thema’s in een „permanente campagne”. De lijn was helder. In het kort: meer asfalt, minder belastingen. En stop de „kansloze immigratie”.

De stijl moest ook anders. In een interview gaf de nieuwe voorzitter Ivo Opstelten de richting aan: „De VVD moet weer een brede volkspartij worden, met een streep onder volks.” Minder bestuurlijk, feller, en nadrukkelijk vanuit de oppositie.

Het duurde wel even voordat de rechtsere koers aansloeg. In mei 2009 stond de partij nog rond de 16 zetels in de peilingen. Over Rutte als leider werd lacherig gedaan. Ook klonk gemor van intellectuelen in de partij. Niet omdat de partij niet zuiver in de leer zou zijn – een zuivere liberale leer bestaat niet. Met de woorden vrijheid en liberalisme kun je immers alle kanten op. In Nederland geeft oud-VVD’er Wilders daar de meest heldere illustratie van. Zijn partij heet ‘voor de vrijheid’, maar zijn voorstellen om de Koran te verbieden, belasting te heffen op het dragen van hoofddoekjes – alleen door moslims – en een immigratiestop in te voeren voor mensen uit moslimlanden, maken duidelijk dat hij de vrijheid van één groep dient.

Internationaal is de woordverwarring minstens zo groot. Belangrijkste onopgeloste spanning is die tussen ‘negatieve’ en ‘positieve’ vrijheid; begrippen die de wereld te danken heeft aan de Brits-Russische liberaal Isaiah Berlin. In de ontplooiingsvariant van het liberalisme (waarin positieve vrijheid de boventoon voert) gaat het erom dat mensen in staat worden gesteld van hun vrijheid te genieten. Geef ze gelijke kansen. In combinatie met het ideaal vrij te zijn van knellende maatschappelijke banden, leidde een voorliefde voor deze variant binnen de VVD tot de kreet waarmee Ed Nijpels in de jaren tachtig verkiezingen won: „gewoon jezelf zijn”, duimen in de lucht. De gedachte: laat je niets zeggen.

Frits Bolkestein maakte daar als partijleider korte metten mee. Hij zag dit ‘Veronica-liberalisme’ als een erfenis van de jaren zestig, door hem verfoeid. Ook Rutte houdt er niet van. „Ik heb geen atomistisch wereldbeeld”, zei hij vorig jaar in een gesprek . Het gaat hem niet louter om negatieve vrijheid, om de afwezigheid van dwang. Mensen leven niet als afgeschermde atomen langs elkaar, zei hij, maatschappelijk gevormde normen en waarden spelen wel degelijk een belangrijke rol. „Maar de overheid behoort ze niet op te dringen.” De overheid is geen ‘grote geluksmachine’, zoals Rutte dat vaak noemt. En dus praten VVD’ers tegenwoordig vooral over te veel belastingen en betutteling. Over ‘gelijke kansen’ hoor je ze zelden meer, het begrip komt welgeteld één keer voor in het laatste verkiezingsprogramma. De burger moet niet ‘bevrijd’ worden van kansloosheid, zichzelf of elkaar, maar van de overheid.

De economische crisis, zo gaat de redenering binnen de VVD, biedt een uitgelezen kans de overheidsbemoeienis in te perken. De hoogleraar intellectuele geschiedenis Frank Ankersmit, die de oorzaak van de crisis zoekt in vergaande deregulering, zag dat de VVD geen concessies wilde doen aan de anti-overheidskoers en verliet de partij teleurgesteld.

Een paar maanden na het vertrek van Ankersmit begon de partij aan een opmars in de kiezersgunst. Rutte zei weinig over de oorzaken van de crisis, maar veel over de sanering van de overheidsfinanciën. Belangrijk was ook: er was rust ontstaan in de partij. Op een VVD-congres in september 2007 wilde een groep leden nog van Rutte af als leider. Maar een jaar later, bij de behandeling van het door Rutte geschreven beginselprogramma, waren de rijen gesloten. In dat programma vraagt Rutte om minimale overheidsbemoeienis, maar moraliseert hij ook, door burgers de opdracht te geven „iets buitengewoons” van hun leven te maken.

De rechtse koers riep steeds minder verzet op. In april 2007, toen Rutte zei dat het staatssecretaris Nebahat Albayrak (PvdA) zou sieren als ze haar tweede paspoort inleverde, reageerden prominenten nog geprikkeld, zoals Ivo Opstelten. Maar toen VVD-Kamerlid Paul de Krom twee jaar later aan de regering vroeg om de legerimam Ali Eddaoudi te ontslaan, klonk geen kritische noot in de VVD. De verontwaardiging dat de VVD de hier door haar zelf zo gepropageerde scheiding tussen kerk en staat schond, maakte geen enkele indruk. Ook de snoeiharde toon die Kamerlid Griffith aansloeg in een Kamerdebat over Nederlands-Marokkaanse onruststokers in Gouda had binnen de partij geen verzet opgeroepen. Toen erelid Frits Korthals Altes werd gevraagd of de VVD niet op de bagagedrager van de PVV was beland, zei die: „Onzin. Onze emigratieagenda stamt al uit het begin van de jaren negentig, ingezet door Frits Bolkestein.”

Niet alleen op integratie kreeg de geleidelijke verrechtsing van de partij gestalte. Bij de algemene beschouwingen van 2008 pleitte Rutte voor forse bezuinigingen op ontwikkelingshulp. Alleen oud-partijleider Joris Voorhoeve mopperde daarover. In het debat over de opwarming van de aarde mocht Kamerlid Helma Neppérus afstand nemen van het tot dan toe gevoerde milieubeleid van de VVD. Ze schaarde zich achter de klimaatsceptici.

Een echte ommekeer, zo zeggen veel partijleden, kwam met het loslaten van de steun voor de kilometerheffing. Op een congres in het najaar van 2009, beleefden verscheidene leden „een bevrijdend moment”. Overal waren stickers te zien met „Kilometerheffing – no way.” Buiten op het gazon stond een Hummer. „Opeens was duidelijk”, zo zegt een VVD’er, „dat we niet meer ingewikkeld deden maar gewoon echt oppositie voerden. Voor de auto, tegen links. Heerlijk!” Toen enkele maanden later partijleden ’s nachts in spanning op de uitslagen van de verkiezingen stonden te wachten was volstrekt duidelijk wat het partijkader wilde: regeren over rechts.

De partijprominenten die altijd tegen verrechtsing hebben gepleit, stierven in de dagen voordat de onderhandelingen over Paars Plus stukliepen. Henk Vonhoff, die meende dat liberalen „per definitie” links zijn; Hans Dijkstal, die was vertrokken uit de Kamerfractie en zich steeds steviger keerde tegen de harde toon van de VVD in het integratiedebat. Was het symbolisch? Misschien.

Maar het is niet de symboliek die Mark Rutte zich wenste. Op de begrafenis van Vonhoff vertelde hij de aanwezigen dat zelfs de oude liberaal hem in zijn laatste levensdagen had geadviseerd op te houden met de onderhandelingen voor een Paars kabinet.

Is het dan helemaal pais en vree? Dat is niet voor te stellen in een partij die berucht was om interne strijd en ooit krantenkoppen uitlokte als „Bloed aan de blazer”. En misschien zijn de woorden die Vonhoff een dag na de verkiezingsoverwinning sprak minstens zo veelzeggend als de woorden die Rutte memoreerde. Vonhoff, toen: „Een kabinet met de Partij voor de Vrijheid is natuurlijk uitgesloten.”