Kan iemand ons beschermen tegen de natuurbeschermers?

Protesteren tegen ‘Nieuwe Natuur’ is vechten tegen de bierkaai, meent Ruben van Luijk. Natuurorganisaties zijn projectontwikkelaars geworden.

Natuurbeschermingsorganisaties: bij dat woord denk ik onwillekeurig nog altijd aan onbezoldigde idealisten die zich vastketenen aan oude bomen om te voorkomen dat boosaardige projectontwikkelaars een snelweg in een natuurgebied aanleggen. Dat beeld is allang achterhaald. Natuurbeschermingsorganisaties hebben tegenwoordig betaalde medewerkers, glossy lijfbladen en bijpassende hoofdkantoren. Sterker nog: het zijn zélf projectontwikkelaars geworden, die zich bij voorkeur bezighouden met het aanleggen van grootschalige ‘nieuwe natuur’.

Waar dat toe kan leiden, merkte ik toen ik door de Hertogin Hedwigepolder in Zeeland wandelde. Een prachtig polderlandschap met langgerekte, door populieren bekroonde dijkwegen, wuivend graan, karakteristieke gewitte boerderijen en tussendoor wat natuurgebiedjes waar vroeger kreken naar zee liepen of stukjes ruig bos uitgespaard waren. Het was er stil en rustig: een vergeten, ongestoord hoekje van Nederland.

Maar dat bleek schijn. Borden kondigden aan dat het gebied met de grond gelijk zal worden gemaakt om plaats te maken voor ‘nieuwe’, ‘natte’ natuur. Deze ‘ontpoldering’ was bedongen in het kader van ‘milieucompensatie’ voor uitdieping van de Schelde. Aan de Belgische kant van de grens, waar hetzelfde stond te gebeuren, was al een beetje te zien waar dat toe zou leiden. Bulldozers hadden grote, kale zandwerken opgeworpen op de plek van akkers en weilanden. De lokale bevolking was hier uiteraard niet blij mee en liet dat weten met protestborden op zo’n beetje elke straathoek. Een gevecht tegen de bierkaai. De polder gaat natuur worden, koste wat het kost.

De Hedwigepolder staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een trend in natuurbeschermend Nederland. Het poldereiland Tiengemeten, de Gelderse Poort, het Bentwoud, het is maar een greep uit de vele voorbeelden van dit nieuwe zandkastelengebouw. De absurditeit van dit ‘Nieuwe Natuur’-denken verwondert mij. Met deze grootschalige projecten gaat vaak oud, eerbiedwaardig cultuurlandschap verloren. Moeten bewoners die van jongs af aan met deze grond verbonden zijn hun leefgebied verlaten? Wordt natuur die er al is ruwweg opzij geshoveld? (Wie compenseert dat?) En vooral: op wereldschaal zijn dit soort zandbakken ecologisch van zeer beperkte betekenis, en ook op nationaal niveau worden er geen werkelijke problemen mee opgelost.

Die werkelijke problemen hebben vooral te maken met verstedelijking, milieuschade door industrie en verkeer, en de schadelijke effecten van de moderne landbouw. Met name dat laatste is hier van belang. De landbouwsector is collectief nog steeds de voornaamste ‘grootgrondbezitter’ in Nederland. De fondsen en compensatiegelden die gebruikt worden om nieuwe natuur aan te leggen, zouden beter besteed kunnen worden aan het omvormen van deze bedrijfstak tot een ecologisch verantwoorde, maar niettemin productieve en commercieel levensvatbare sector. Met inzet van bestaande en aspirant-landbouwers. Dan zet je werkelijk zoden aan de dijk. Het afbreken van ons agrarisch (bodem)kapitaal daarentegen levert misschien een paar broedende visarenden op, maar is op de lange duur alleen maar schadelijk. Zo maakt het ontmantelen van onze landbouw ons op termijn afhankelijk van brandstofverslindende voedselimport uit gebieden die het meestal nog minder nauw nemen met milieuregels. Gezien de wereldvoedselproblematiek is het bevreemdend, om niet te zeggen moreel onverantwoord, om grote arealen goede landbouwgrond verloren te laten gaan.

Het lijkt er echter op dat de grote natuurbeschermingsorganisaties ten prooi zijn gevallen aan megalomanie en marketingdenken. Broedende visarenden doen het nu eenmaal veel beter in een kleurenfolder dan langdurige, structurele aanpassingen in de agrarische sector.

De nieuwe, zorgvuldig geconstrueerde ‘natuur’ wekt bovendien de schijn dat er resultaten behaald worden. Daarbij walst men doorgaans net zo rücksichtslos over lokale belangen heen als de ‘boosaardige’ projectontwikkelaars tegen wie men zich in het verleden nog met hand en tand verzette. In naam van vroomklinkende idealen wordt zo op grote oppervlakten aan kapitaal-, landschaps- en natuurvernietiging gedaan, ten koste van de plaatselijke menselijke populatie.

Dat roept de vraag op hoe er een einde gemaakt kan worden aan deze kortzichtigheid. Wie beschermt ons tegen de grootmogols van de natuurbeschermingsindustrie? Wie voorkomt dat deze tot miljoenenconcerns verworden organisaties als kleuters met ons landschap blijven spelen? En welke organisatie durft het aan om op een constructieve manier de werkelijke ecologische kwesties in ons land aan te pakken? Van zo’n club zou ik graag lid worden. Een glossy lijfblad hoeven ze niet te sturen.

Ruben van Luijk is promovendus aan de Universiteit van Tilburg.