'Juist de kolonisator moet niet van alles komen vertellen'

Arabist Nikolaos van Dam heeft zijn post als Nederlands ambassadeur in Jakarta verlaten. Oorlogsverleden, koloniaal verleden en ‘de islam’ vergden diplomatiek optreden. ‘Indonesiërs zijn in staat naar de toekomst te kijken.’

Na vijf jaar als Nederlandse ambassadeur in Jakarta is Nikolaos van Dam bijna een Bekende Indonesiër geworden. Hij sprak op talloze feesten, openingen en andere bijeenkomsten, in vloeiend Indonesisch en vaak gekleed in batik. Als hij een toespraak opende met de islamitische begroeting Assalamu Alaykum wa Rahmatullahi wa Barakatuh had hij de zaal al voor zich gewonnen. Met zijn ronkende Arabisch dwong hij respect af in een land waar slechts weinigen de taal van de Koran beheersen.

„Ik denk dat ik geen clichéambassadeur ben die in Jakarta met andere diplomaten omgaat, maar een die zich altijd op de Indonesiërs richt”, zegt Van Dam. Hij was op zoveel mogelijk evenementen aanwezig. Zoals toen hij door de president werd uitgenodigd voor een wajangvoorstelling. Het begon om acht uur ’s avonds, de meeste diplomaten vertrokken stilletjes tijdens de eerste pauze, om twaalf uur waren er nog drie over. Het duurde tot vier uur ’s nachts. „Ik was de enige diplomaat die er nog zat, achter me was het helemaal leeg.”

Vorige week nam Van Dam met tegenzin afscheid van Indonesië. Hij moet met pensioen, na 22 onafgebroken jaren van ambassadeurschappen. Zijn vuurproef beleefde hij begin jaren tachtig als eerste secretaris in Beiroet, toen zijn huis werd gebombardeerd door het Israëlische leger. In 1988 werd hij ambassadeur in Irak, waar kort daarna de Golfoorlog begon. Vervolgens ging hij naar Egypte, Turkije en Duitsland en in 2005 naar Indonesië. „Dit was voor mij een fantastische afsluiting. Ook omdat er dat beladen verleden is. Dit is niet zomaar een post.”

Van Dam begon in Jakarta op een interessant moment. Minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken had er net een toespraak gehouden over de politieke en morele aanvaarding door Nederland van de Indonesische onafhankelijkheid op 17 augustus 1945. Hij zei dat Nederland destijds „aan de verkeerde kant van de geschiedenis” heeft gestaan.

Van Dam: „Minister Bot vertrok op 18 augustus 2005 en ik arriveerde de 19de. Dat was ideaal. Belastende elementen in de bilaterale betrekkingen waren weggenomen. In al mijn gesprekken kon ik ernaar verwijzen. Hoewel er ook Indonesiërs waren die zeiden: wacht even, heeft dit zestig jaar geduurd? En anderen zeiden dat ze echt niet al die jaren hadden zitten wachten op erkenning door dat kleine landje aan de andere kant van de aarde. Maar de meeste Indonesiërs vonden het heel belangrijk.”

Vindt u ook dat het te lang heeft geduurd?

„Ik zou zeggen: het had veel en veel eerder moeten kunnen. Maar had het, met de interne politieke situatie in Nederland, ook gekund? Blijkbaar niet. Daar kun je niet omheen.”

Minister Bot heeft spijt betuigd van de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië. Hadden het excuses moeten zijn?

„Wij kennen het begrip erfschuld niet, dus wij stellen ons de vraag of je wel excuses kunt aanbieden voor iets wat je niet zelf hebt gedaan en dat generaties terug is gebeurd. In Indonesië ligt dat anders. Kijk bijvoorbeeld naar de Banda-eilanden, een zwarte bladzijde uit de Nederlandse koloniale geschiedenis. Ik ben daar twee jaar geleden geweest, bij die put waar Jan Pieterszoon Coen alle notabelen heeft afgeslacht. Aanleiding was de herdenking van die slachtpartij en van mij werd verwacht dat ik een toespraak hield. Ik heb toen gezegd: als we het begrip erfschuld zouden hebben, dan had ik nu mijn excuses aangeboden. Dat werd zeer op prijs gesteld.

„Twee weken geleden was ik er weer, om de restauratie te vieren van een plantershuis, een van de grootste in de nootmuskaatteelt. Dit keer is er met geen woord over de geschiedenis gerept. Ik werd zelfs ontvangen met kora-kora: oorlogssloepen met roeiers, met oranje vlaggen erop. Dat is toch iets bijzonders. Terwijl ze de geschiedenis heel goed kennen, hebben ze toch de grootsheid je op zo’n manier te verwelkomen. En dat binnen die hele nootmuskaatteelt, waarvan – laat ik het zacht zeggen – de bevolking niet bepaald heeft geprofiteerd. Indonesiërs zijn in staat naar de toekomst te kijken. Niet alle volkeren kunnen dat even goed.”

Gaat Indonesië grootmoediger met zijn oorlogsverleden om dan wij?

„Zeker. Ik heb destijds voorgesteld de Duitse bondskanselier Schröder uit te nodigen op de Dam op 4 mei. Dat was toen een paar bruggen te ver. Maar ik word hier wel voor dit soort gelegenheden uitgenodigd. Een totaal andere benadering.

„Ik ben zeven jaar ambassadeur in Duitsland geweest en heb dus veel met herdenken te maken gehad. Het was voor mij interessant in een situatie te komen waar wij als Nederland een zekere verantwoordelijkheid voor het verleden dragen. En dan zie je dus dat wij in Nederlands-Indonesische context anders reageren dan als het gaat om Nederland en Duitsland, of Nederland en Japan.”

Heerst in Nederland voldoende besef van wat er in ‘Indië’ is gebeurd?

„Er is heel veel kennis aanwezig in Nederland: we hebben de mooiste bibliotheken, het KITLV in Leiden, het Koninklijk Instituut voor de Tropen. Maar dat betekent niet dat er onder de Nederlandse bevolking veel kennis is van Indonesië of de koloniale geschiedenis. Dat vind ik wel jammer. Het gaat voornamelijk om Indische Nederlanders en die zijn vooral in een specifiek deel van de geschiedenis geïnteresseerd. Toen ik vertrok uit Duitsland kreeg ik het fotoboek Tempo Doeloe. Dan zie je op al die foto’s Nederlanders in witte pakken staan, af en toe zie je ergens een Indonesiër tussen. Dat was hun wereld.”

Wat is het grootste misverstand over Indonesië in Nederland?

„Een algemene tekortkoming is dat Nederlanders zich moeilijk in het perspectief van Indonesiërs kunnen verplaatsen. Neem de periode 1942-1945. Het was een vreselijke tijd voor de Nederlanders, met de jappenkampen. Voor Indonesiërs was de Nederlandse aanwezigheid al afgelopen in 1942 en in 1945 kwamen ze plotseling terug! Nederlanders die al die jaren in jappenkampen hadden gezeten, dachten dat ze eindelijk naar huis konden. Maar daar woonden al drie jaar andere mensen, die niet hadden verwacht dat ze terug zouden komen.

„Nederlanders dachten: wij gaan weer beginnen waar we zijn opgehouden. Maar de Indonesiër dacht: ze zijn weg, nu kunnen we eindelijk eens onafhankelijk zijn. Het zijn totaal andere percepties van de geschiedenis.”

Een groep academici pleitte afgelopen december voor de Nederlandse erkenning dat Indonesië al onafhankelijk werd op 17 augustus 1945. Wat vindt u daarvan?

„Dat kan dus helemaal niet. We hebben Indonesië feitelijk erkend in 1949, in overleg met de Indonesiërs. Je kunt een land niet twee keer erkennen. Dat is gewoon geen historische realiteit. Het feit dat we al jaren op de onafhankelijkheidsvieringen op 17 augustus komen, geeft ook aan dat het juridisch misschien niet is erkend, maar dat politieke aanvaarding er in feite al lang is. Naar mijn idee is het een achterhaalde discussie.”

Als er vanuit Nederland parlementaire delegaties naar Indonesië komen, gaat het vaak over mensenrechten. Is dat wel iets wat Nederland hier aan de orde moet stellen?

„Mensenrechten zijn natuurlijk een heel belangrijk onderwerp. Maar je kunt een bepaalde rolverdeling hebben. Als een Nederlander hier iets zegt, is het anders dan wanneer een Oostenrijker of een Griek precies hetzelfde zegt. We hebben het meegemaakt met minister Pronk, in 1992, toen hij allerlei dingen zei die in Indonesië volstrekt verkeerd vielen. Dat was zo erg dat de hele ontwikkelingsrelatie werd verbroken. Hij heeft heel duidelijk dat wijzende vingertje. Ik kan me de woede daarover vanuit Indonesië heel goed voorstellen. Als hij een Italiaan was geweest, had het niet zoveel uitgemaakt, maar juist de voormalige kolonisator die van alles komt vertellen...

„Binnenskamers wisselen we wel degelijk van gedachten over mensenrechten. Maar we vinden niet dat je iets moet zeggen om het maar gezegd te hebben. Het gaat om het resultaat.”

Indonesië zit inmiddels in de G20, president Obama komt dit jaar op bezoek. Is Nederland nog wel belangrijk voor Indonesië?

„Er vindt in zekere zin een normalisering plaats van proporties. Oorspronkelijk waren wij voor Indonesië natuurlijk hét land in Europa. De mensen gingen hier studeren, dat soort traditionele contacten heeft een lange nawerking gehad. Maar na de verbreking van de betrekkingen door de Guinea-kwestie, begin jaren zestig, gingen veel Indonesiërs in Duitsland studeren. Ook Australië is als direct buurland nu heel belangrijk, dat wordt vanuit Indonesië steeds meer zo waargenomen.

„Als je andersom kijkt naar ambassades hier kun je zien dat Indonesië voor Europa helemaal niet op de kaart staat. Toen ik hier kwam, vertelde de Franse ambassadeur dat hij in Parijs moest bedelen om aandacht. Van een ander land heb ik inmiddels al de vierde ambassadeur leren kennen, van de meeste ambassades drie. Terwijl Indonesië objectief gezien een belangrijk land is, met zijn grootte en strategische ligging. In de toekomst kan het een economische gigant worden. Maar de perceptie is anders.”

Dit najaar komt de Indonesische president Yudhoyono op staatsbezoek in Nederland. Wat valt daarvan te verwachten?

„Het is de bekroning van een heel goede relatie. En de aanzet voor intensievere betrekkingen. Indonesië heeft niet direct behoefte aan voorschriften hoe ze iets moeten doen, maar wel aan dingen waarmee ze hun land kunnen verbeteren. Daarom hebben we programma’s tegen corruptie, de bestrijding van terrorisme. Verbetering van het investeringsklimaat, van het onderwijs, van het juridisch systeem. Ik denk dat het ook goed is ons te richten op sectoren waarin we iets specifieks te bieden hebben, zoals de watersector. Daarmee kijken Indonesiërs al gauw naar ons, als er een overstroming is of dambreuk. Op klimaatgebied hebben wij voor Indonesië alle meteorologische gegevens die vroeger zijn verzameld gecomputeriseerd, zodat je beter voorspellingen kunt maken.”

En het koloniale verleden? Komen er bij het staatsbezoek alsnog excuses?

„Nee... Daar heeft ook niemand behoefte aan. Je moet ook denken aan wat de Indonesiërs willen. Die willen praktische dingen. Soms zijn mensen vooral met zichzelf bezig. We willen toch niet alleen iets gezegd hebben om ons hart te luchten?”