'Goed dat Roemenen vertrokken'

Traian Basescu, de president van Roemenië, was zijn onderdanen in het buitenland dankbaar. Hij was blij dat ze niet in Roemenië zelf woonden, zei hij deze week op de televisie. En hij bedoelde dat goed: als al die Roemenen die bijvoorbeeld in Spanje en Groot-Brittannië een beter leven hadden gezocht in Roemenië waren blijven wonen, dan was zijn land failliet gegaan. Roemenië had hun werkloosheidsuitkeringen nooit kunnen betalen.

De Roemeense arbeidsmigranten (twee miljoen in totaal), zei Basescu, hadden hun moederland hiermee een dienst bewezen.

Maar Basescu’s woorden werden hem niet in dank afgenomen. In eigen land werd hij uitgemaakt voor landverrader. Volgens oppositiepartijen spoorde hij jonge Roemenen aan om een baan te zoeken in het buitenland – in plaats van hun eigen land te helpen opbouwen. Een vakbondsleider zei dat de president de weg plaveide naar „een onopgeleid land, een land zonder verpleegsters”. Ook de Britse pers viel over Basescu heen, omdat hij de Britten indirect had uitgemaakt voor luilakken door de Roemenen in Londen te prijzen omdat zij wél de vieze en zware baantjes aanpakten.

Landverraad of belediging, Basescu’s opmerkingen vormen in elk geval een nieuw hoofdstuk binnen een gevoelig Europees onderwerp: arbeidsmigratie van Oost-Europese EU-landen naar West-Europese lidstaten. Dat was tot op heden vooral een onderwerp van discussie tussen ‘west’ en ‘oost’: goedkope Oost-Europese arbeidskrachten zouden baantjes inpikken van westerlingen.

Maar de lofbetuigingen van president Traian Basescu aan zijn gelukszoekende onderdanen en de kritiek die daarop in eigen land volgde, laten zien dat de migratiediscussie nu ook binnen de oostelijke lidstaten van de Europese Unie zelf wordt gevoerd.