De pimpel en de dood

Wat maakt de mens tot zo’n uniek dier? Deze week: het besef dat er ook aan zijn leven een einde komt.

Illustratie Frank Dam

Kijk hoe een pimpelmees pinda’s uit een netje peutert. Twee, misschien drie keer pikken en dan kijkt het blauwgekapte meesje weer nauwkeurig om zich heen. Geen sperwer? Geen kat? Geen gevaar?

Hoe hebben die dieren dat geleerd? Van hun ouders? Hebben die voorgedaan dat je ook bij het eten altijd goed om je heen moet kijken? Voor je het weet ben je er geweest, en als je dood bent kun je niks meer eten, krijg je nooit kinderen en blijft er van jezelf niks over.

Of is het ervaring en is die oplettende mees inmiddels de laatst overgeblevene van een nestje van zeven mezen?

Het levensverlies is groot onder kleine dieren. Van zeven uitgevlogen meesjes, bijvoorbeeld, worden er de eerste dag twee door een gaai gepakt, de volgende dag verdween er een broertje in een kat, en in de week erna pakte de sperwer nog twee zusjes. En de moeder. Daarna ging het contact wat verloren, maar de doodskreten van de gezinsleden maakten toch wel duidelijk dat het onplezierig was, wat die verwanten overkwam. Dat een beetje oplettendheid geen kwaad kon.

Maar dat is nog geen doodsbesef. De oplettende pimpel zag broertjes en zusjes verdwijnen, en ook moeder ging eraan, maar bestaat het besef dat het na zo’n traumatische gebeurtenis helemaal afgelopen is? En kan de gedachte dat zoiets ooit hemzelf zal treffen somber stemmen?

Of is dit gedrag helemaal niet aangeleerd en zijn er gewoon rondkijkgenen en vluchtgenen in ieder klein dier actief? Veel vragen. Zonder antwoorden, want die genen zijn nog niet gevonden.

Pimpelmezen kunnen trouwens heel vertrouwelijk worden. Bijvoorbeeld bij rustige bejaarden gewoon ’s morgens het openstaande keukenraam binnenvliegen om een paar heerlijke, voor hen klaargelegde pijnboompitten te incasseren. Zo’n uiting van vertrouwen, van mensenliefde door een dier, kan een mens, gekweld door doodsbesef, flink opfleuren.

Wie doodsbesef heeft, wil niet dood, aanvankelijk. Uiteindelijk ontstaat er bij mensen vaak een berustende overgave aan de dood. Anderen verzetten zich tot het uiterste, in woord en daad. Weer anderen weigeren er een woord over te zeggen. Maar ieder mens heeft het besef eens dood te gaan.

Bij dieren is dat besef nooit aangetoond. Er is geen wetenschappelijk verslag over te vinden. En als het besef al bestaat, hoe zou je dat idee aan dieren moeten ontfutselen?

Zoek in de psychologie en de geneeskunde en er duiken honderden artikelen op over het doodsbesef bij mensen. Over de last die ze daar van kunnen hebben. En de therapieën daartegen.

Elk medisch tijdschrift heeft wel een beschouwing over het feit dat artsen het onderwerp liever uit de weg gaan. Maar dat het goed zou zijn als ze het onderwerp wél aansnijden, omdat het de medische behandeling in de laatste levensmaanden vaak een stuk zinniger en beter verdraagbaar maakt. En dat een goed en tijdig gesprek over het naderend levenseind veel duidelijk maakt over sedatie- en euthanasiewensen. Waarover dan ook nog iets formeel te regelen is. Dieren kennen die zijde van het leven niet.

Dieren reageren doorgaans wel op de dood van soortgenoten. Of op de dood van hun kinderen. De Vogelbescherming heeft sinds een paar jaar een succesvolle website waarop via webcams in vogelnesten kan worden gekeken. Vorig jaar nog was daar een ooievaarpaar te zien dat twee van zijn in groei achterblijvende en inmiddels ernstig verzwakte, wellicht overleden jongen op een gegeven moment als voedsel naar binnen schrokte.

Dat is de standaardreactie op het overlijden van een dier: opeten.

Uitzonderlijk zijn de chimpansees in een kleine groep in Guinee. Daar is nu driemaal waargenomen dat moeders nog twee tot negen weken met hun overleden kind bleven rondlopen. Soms totdat de kleintjes vrijwel waren gemummificeerd.

Van chimpansees, maar ook van olifanten, is bekend dat ze stervende soortgenoten helpen en – zo te zien – hun medeleven tonen. In ieder geval dat ze verzwakte dieren ontzien. Na het overlijden van soortgenoten bedekken olifanten lijken met zand, bladeren en takken. En er zijn mensen die daar begrafenisrituelen in zien.

Maar van stervende dieren is niet beschreven dat ze lijden aan depressies of behoefte hebben aan contact. Kleine dieren komen daar ook niet aan toe. Wie verzwakt, wordt snel opgegeten door een predator waar steeds voortdurende oplettendheid voor geboden was.

Grote dieren hebben meer tijd om te sterven. Bekend is dat ze soms een verborgen plek opzoeken, maar onwaarschijnlijk is dat ze dat doen om hun eigen dood te overdenken. Wellicht proberen ze de kraaien te ontlopen die graag de ogen aanpikken voordat het hart met kloppen stopt.