Alles leidt naar Babels brilletje

In het voormalige zomerpaleis van vorst Gagarin in Odessa is het Literatuurmuseum gevestigd. Lang was het verboden om over schrijvers te exposeren.

Alle gangen in het Literatuurmuseum leiden naar het brilletje van Isaak Babel. Hij liet het achter toen hij in de nacht van 15 mei 1939 in zijn datsja buiten Moskou door de NKVD, Stalins geheime politie, van zijn bed werd gelicht. „Dat heb je niet meer nodig”, moet een van de NKVD’ers hem hebben toegesnauwd. Babel werd eind januari 1940 geëxecuteerd op beschuldiging van onder meer spionage voor de Fransen en het hebben van een verhouding met de vrouw van Nikolaj Jezjov, de in ongenade gevallen leider van de NKVD. Hij was 45 jaar oud.

Zijn brilletje belandde bijna een halve eeuw later in Odessa, waar het samen met wat foto’s en manuscripten van de schrijver werd ingelijst. Het heeft iets aandoenlijks, dat brilletje, alsof het het enige tastbare van Babels leven is. Net zo tastbaar als de eerste druk van De tijd van de grote verwachtingen dat is voor Konstantin Paustovski.

Dat brilletje en dat boek zijn onovertroffen hoogtepunten in de kosmopolitische Oekraïense havenstad, die zoveel schrijvers heeft voortgebracht of aangetrokken. Maar voordat je ze kunt bewonderen, maak je eerst een voettocht door de Russische literatuurgeschiedenis voor zover die zich in Odessa afspeelt. „En die is rijk, zeer rijk”, zegt conservator Larissa Kivrjenko als we door de gangen van het voormalige zomerpaleis van vorst Gagarin lopen, waarin het museum gevestigd is. „Dat het behouden is, danken we aan Nikita Brygin, een journalist die goede banden met de KGB had. Hij richtte in 1978 ons museum op.”

Achter de pronkzaal, waar in de laatste jaren voor de revolutie van 1917 onder andere de Vereniging van Obers huisde, begint de expositie. In de eerste zaal, die is ingericht als een grote zeilboot, ga je terug naar 1789, toen de stad door de Russen op de Turken werd veroverd. Het fort dat er toen stond, groeide in een kleine eeuw uit tot een bruisende handelsstad waar avonturiers uit heel Europa fortuin maakten. In de vitrines staan boeken van onder meer Ivan Kotlarjevski: Lettres sur Odessa uit 1812. Het is een van de eerste geschriften die aan de stad zijn gewijd.

De volgende zaal is een imitatie van een 19de-eeuwse adelsalon, waar je Poesjkin en Zjoekovski, de grondleggers van de Russische klassieke literatuur, en ook graaf Vorontsov, met wiens vrouw Poesjkin in Odessa een verhouding had, zo ziet rondlopen. Per afgelegde meter openbaart zich nu het verdere literaire leven van Odessa, tot in de tijd van de Sovjet-Unie.

In een vitrine liggen manuscripten en epauletten van Lev Tolstoj naast een aflevering van Kolokol, het revolutionaire tijdschrift van de 19de-eeuwse balling Aleksandr Herzen, dat via Odessa Rusland werd binnengesmokkeld. Ook is er een apart hoekje gewijd aan Gogol, die 1848 Odessa aandeed, zijn er almanakken met gedichten van Ljermontov en Vjazjemski, staat in de zaal die is gewijd aan de schrijvers Koeprin, Tsjechov en Boenin, de schrijftafel van de laatste en wordt het schrijversduo Ilf en Petrov (van de roman De twaalf stoelen) ruimschoots geëerd. Pas daarna beland je bij Babels brilletje.

„Tweeëndertig jaar geleden was hier helemaal niets”, zegt hoofd exposities Anna Poltaratskaja, die net als Larissa Kivrjenko vanaf het eerste uur bij het museum werkt. „Brygin leidde ons toen door de lege en vervallen zalen en vertelde hoe het er uit moest gaan zien. We hebben toen eerst de hele periode bestudeerd en zijn begonnen met verzamelen. Als je dan op de naam van een onbekende schrijver stuitte, wist Brygin je alles over hem te vertellen. Hij was een soort wandelende encyclopedie.”

Vol nostalgie vertelt ze over die beginjaren, waarin manuscripten en foto’s door museummedewerkers uit de hele Sovjet-Unie naar Odessa werden gehaald. „Het was toen nog verboden om over schrijvers, die onder het communisme werden vervolgd, te exposeren”, vertelt ze. „Maar we deden het gewoon. Schrijvers als Isaak Babel en Anna Achmatova waren bij ons vanaf het begin aanwezig.”

Ook toen Brygin eind jaren zeventig vertrok en een gepensioneerde generaal er directeur werd, ging dat tegendraadse verzamelen door. „Die generaal was een despoot en antisemiet”, zegt Anna Poltaratskaja, wier collega’s in die jaren voor een groot deel Joden waren, die later naar Israël of de VS emigreerden. „Maar als collectief hebben we ons tegen hem verzet en na drie jaar lukte het ons hem weg te krijgen.”

Toen Oekraïne in 1991 onafhankelijk werd, hoopte het Literatuurmuseum op een verdere bloei. Maar de economie van het land stortte in en tot op de dag van vandaag lijdt het museum daaronder. „Gelukkig zijn er rijke zakenmannen die ons sponsoren”, zegt Poltaratskaja. „Zo heeft een parlementslid annex zakenman onlangs de aankoop van een belangrijk archief gefinancierd.”

In de beeldentuin van het museum heb je een fraai uitzicht over de haven. „Elk jaar geeft het museum opdracht aan een kunstenaar om een literair beeld te maken”, zegt Kivrjenko. „Kijk, hier heb je Paustovski als sfinx en daar de komiek Michail Zvanjetski. En daar zijn de hoofdrolspelers uit de roman Het Gouden Kalf van Ilf en Petrov.”

Ook in de hoofdstraten van Odessa wemelt het van de literatuur. Overal waar een schrijver heeft gewoond is een gedenksteen aangebracht. Zo ontmoet je Jevgeni Ilf in de armoedige voormalige oodse wijk Moldavanka uit Babels verhalen, zie je Babel in de chique Richelieustraat, hangt Achmatova om de hoek, stuit je op Josif Klausner, de geleerde oom van Amos Oz, zie je Tsjechov, Gogol, Tsjaikovski. En op de Zeeboulevard pronkt het standbeeld van Poesjkin, voor veel Odessieten toch nog altijd de allergrootste.