Ach, die zielige jonge kaas

Buitenlandse toeristen willen typisch Nederlandse bezienswaardigheden bezoeken: Volendam, molens en een kaasmarkt. De Iraakse dichter Rodaan ging met een vriend uit Costa Rica kaas proeven.

Als er bij een wereldkampioenschap in plaats van een voetbal een emmer melk op het veld zou staan, welk land zal dan winnen? Wie maakt de meeste variaties en wordt wereldkampioen kaas? Nederland natuurlijk. Ondanks harde gevechten tegen landen als Frankrijk behoudt het keer op keer de titel. Een WK kaas zonder Nederland zou smaakloos zijn, zoals een WK voetbal zonder Brazilië.

Laatst was een vriend uit Costa Rica bij mij op bezoek. Hij wilde graag het ‘echte’ Nederland zien, dus we reden het land door. Langs Volendam (hij staat zelfs in klederdracht op de foto…), over de Afsluitdijk, door Staphorst. Hij vermaakte zich prima, maar de meeste indruk maakte toch een simpel bezoek aan de markt.

We stopten bij een kraam waar kaas werd verkocht. Het idee dat ik had over kaas bleek nogal achterlijk. Kaas was voor mij duur of goedkoop, lekker of niet lekker. Mijn vriend wilde een kilo Nederlandse kaas meenemen naar Costa Rica, maar staand bij de kraam bleek dat wij er weinig verstand van hadden.

De kaasboer pakte een kaasschaaf en begon van allerlei stukken een plakje af te schaven. Hij hield het ons vorstelijk voor en wij proefden de verschillende smaken. We namen kleine hapjes en keken elkaar goedkeurend aan, om te laten zien dat we onze aankomst bij zijn koninkrijk van de kaas waardeerden. De verkoper legde van elke soort kaas uit wat het was en wat het verschil was met andere soorten. We probeerden de namen te onthouden, maar dat lukte niet. Het waren er te veel.

Toen de kaasboer zag dat er veel mensen in de rij stonden, legde hij de kaasschaaf naast zich neer, zoals een dirigent zijn stokje na een symfonie van Mozart, en vroeg of we even konden wachten. Een vrouw bestelde een pond komijnekaas. De kaasboer nam het grote kaasmes en sneed uit een ronde kaas precies 500 gram. De man na haar wilde 350 gram brandnetelkaas, de jongedame na hem 600 gram graskaas. De bestellingen volgden elkaar op, de een wilde Texelse, de ander overjarige, weer een ander wilde 20+ kaas.

Toen wij weer aan de beurt waren, zwommen we tussen al die verschillende kazen en schaamden we ons zo erg dat ik snel zei: „Een kilo goedkope kaas, graag.” De kaasboer voelde zich niet beledigd. „Dan wordt het een jonge kaas”, zei hij trots. Zo stonden we even later met onze kilo jonge kaas bij een molen, om het rondje Nederland compleet te maken.

„Ik hoop dat er niet zoveel soorten molens zijn”, zei mijn vriend. Inderdaad, dacht ik. Als de Nederlanders van één soort melk al die kazen kunnen maken, wat kunnen ze dan met al die verschillende soorten wind? Mijn vriend vond de molen mooi, maar wreef over zijn maag en bleef maar praten over die tweehonderd gram kaas die daarin was verdwenen. Diezelfde avond dacht ik aan de jonge kaas die in Costa Rica opgegeten zou worden en schreef een gedicht:

‘Elk ontbijt tril ik van angst

dat ik te jong opgegeten word

om mijn kans in het leven te nemen’,

zei de jonge kaas.

Rodaan is Rodaan Al Galidi: schrijver, dichter, vluchteling uit Irak. Hij woont sinds twaalf jaar in Nederland, sinds drie jaar met een legale verblijfsstatus. Vorig jaar verscheen zijn roman De autist en de postduif.