Zo lukraak als toen, zo raak en beheerst is het nu

Sasja Janssen: Wie wij schuilen. Querido, 70 blz. € 17,95

Na twee romans debuteerde Sasja Janssen in 2007 als dichter met Papaver. Uit die eerste poëziebundel sprak een heel eigen idioom, maar slechts een enkel gedicht wilde beklijven.

Het was duidelijk dat hier iemand zichzelf als dichter aan het ontdekken was, en de bundeling van het materiaal dat dit opleverde toonde weinig samenhang. Toch was er sprake van een eigen stem, en Janssens zinnelijke woordbouwsels als ‘armsteken’, ‘zeekwets’ en ‘kreukkreten’ wekten nieuwsgierigheid naar een volgende bundel.

Die is er nu, en de lakmoesproef lijkt geslaagd. In Wie wij schuilen is het vervreemdende idioom van Papaver in een doolhof van banen geleid. De bundel opent met een citaat van de Amerikaanse dichter Mark Strand. Hij spreekt daarin over het verlangen iets te bezitten dat buiten de wereld ligt die wij kennen, buiten ons zelf – en dat is het terrein dat Sasja Janssen in haar tweede bundel onderzoekt. Wat is ons territorium en wat ligt daarbuiten? En zijn de onzekerheden binnen ons territorium niet even groot als die daarbuiten?

Bij dit onderzoek respecteert Janssen geen natuurlijke grenzen, dus is niets te dol. Kenmerkend is de opening van haar gedicht ‘Scheppingsputsch’. ‘Laten we aannemen dat het nodig is, dat ik eerst een man ben,’ stelt ze, ‘daarna een ding / (geen gebruiksvoorwerp) en dan een vrouw, als dat laatste een vereiste is / er staat ons veel vrij / al zijn dieren een onmogelijkheid, eerst stik ik in sterrenstof en mijn herinneringen / worden gemaakt en smelten samen terwijl ik blind spartel in de bol van Borges / dat ik oud word als man met magere gewrichten…’ Zo gaat ze nog elf regels meanderend verder, om te eindigen met: ‘ik word een niemand een niets, ik / ben die kelder waar geen begin is geen einde alleen nabijheid, nabijheid die ons verminkt.’

Wat quasi onbezorgd begon eindigt – het labyrint eigen – uitzichtloos. ‘Ontheemding’ is dan ook een nadrukkelijk thema in Wie wij schuilen. Ontheemding die dicht bij ontzieling dreigt te komen, zoals in ‘Mannin’: ‘Toen ik niet meer wist hoe ons heette, heb ik mij begraven bij vreemde ouders…’ Het is geen vrolijke wereld die Janssen beziet en in beeld brengt.

Maar zo lukraak als ze die wereld in Papaver te lijf ging, zo raak mikt ze nu. De compositie van Wie wij schuilen is beheerst. De bundel opent met een zevendelige reeks ‘Wij’. Daarna volgen: ‘Waartoe wij’, ‘De lucht hangt los van ons, met zilver’, ‘Wij zijn een bijwerking van het heelal’ en ‘Wij wensen halt auf verlangen’.

‘Ja we spelen eindig’ luidt de laatste zin van de bundel. Het is dan absoluut geen kinderspel meer, al is er nog troost getuige het gedicht ‘We praten anders’:

Het kind maakt zijn strafregels in de bomen, dan is het minder erg

ik ontvang jou in de kelder, dan is het minder erg, jij likt kringen van de muren

ik herschik appels

we zien koude lakens voor ons, brandewijn, briefjes, leunen tegen lijzijde

maar het kind fluit zijn hondenfluit en je moet hoognodig weg

nog naar het toilet boven en je gezicht even wassen, dan is het minder erg

Elders stelt Sasja Janssen dat wij als bijwerking van het heelal gaan uitsterven. Er is nog tijd voor een derde bundel, hoop ik.