Wie nu leeft, moet straks niet zeuren

Huub van der Lubbe: Guichelheil. Gedichten en liedteksten. Nijgh & Van Ditmar, 222 blz. € 17,50

Ik lees een gedicht dat begint met een lofzang op een vrouw: ‘Zie haar lonken door het leven, / kijk haar spelen in de wind. / Prikkels die haar gloed me geven, / hou me voor haar stekels blind.’ Het klinkt gek, met die prikkels van gloed en die stekels. En de zinnen lopen ook wat moeizaam: ‘Jeuk die niet kan weggewreven, / pijn die ons tezamen bindt.’

Maar dan blijkt dat het over een roos gaat. Of liever: over deze vrouw die met een roos vergeleken wordt, op straat gevonden ‘tussen het vuil en nat’, nog ‘ongebroken mooi’. Vandaar de stekels en de prikkels en het spelen in de wind. De dichter vond haar toen hij op een avond door de stad naar huis liep. Hij besloot haar mee te nemen en daar heeft hij zo te zien nog steeds geen spijt van.

Ik kan de tekst lezen en er gemakkelijk wat azijnpisserige opmerkingen bij maken, over hoe dat nou precies zit met de jeuk en de gloed, maar dat valt allemaal weg als ik de tekst gezongen hoor worden. Het is een prachtig lied, met een mooi mengsel van melodrama en ironie in de stem van zanger Huub van der Lubbe. En als ik het hoor, zing ik zo weer de inhoudelijk dan misschien niet zo sterke, maar ritmisch lekker lopende refreinregel mee, met zijn drie dansende trocheeën: ‘mijn van straat geredde roos’, veertien keer in totaal.

Hier zien we waar het om gaat bij liedteksten. Ze zijn vaak niet zo goed, maar dat doet er eigenlijk helemaal niet toe. Het zorgt er wel voor dat ik de liedteksten van Huub van der Lubbe in zijn nieuwe bundel Guichelheil met een zeker voorbehoud lees. Je weet van te voren dat ze staan of vallen met het lied dat erbij hoort.

Van der Lubbe heeft altijd al een hang gehad naar de sombere kanten van het bestaan. Zijn teksten neigen meer naar J.C. Bloem dan naar Herman Gorter. Hij zingt graag over het leed van de buitenstaander die lijdt aan de tijd, en het liefst een beetje naast de tijd wil leven. Hij zingt over twijfel, ongeluk, zwaarmoedigheid. Als er dan, zoals nu, ook nog wat levenservaring bijkomt en wat tegenslag, dan leidt het al gauw tot tegeltjeswijsheden als ‘Hoe je je ook voorbereidt, / je bent alles zo weer kwijt’ en ‘Mooier dan nu zal het nooit gaan’. En: ‘Want het gaat een keer gebeuren, / nee, ze maken mij niets wijs./ […] Wie nu leeft moet straks niet zeuren, / God bewaar me, voor geen prijs. / Haal de slijpsteen. Scherp de zeis.’

Dat is het gevaar dat Van der Lubbe bedreigt: grote woorden, smartlap, cliché, geleende formuleringen, ouderwets dichterlijke woorden (’ketenen’, ‘bewenen’, ‘taveerne’) en ouderwetse zangersromantiek. De drank, de kroeg, de nacht, de vrouwen: we vinden hier veel navolging van Jacques Brel. Dit is natuurlijk een kwestie van smaak. Wat de een beleeft als geleend, kan een ander begroeten als oorspronkelijk – en omgekeerd. Zo word ik geraakt door ‘Ik heb je in mijn hoofd gehaald’. Daar komt geen bijzonder woord in voor, maar het overtuigde mij toch, door de mooi gespeelde woede van de dichter om het feit dat hij zijn geliefde niet meer uit zijn kop krijgt – en daarmee zijn hele rust kwijt is.

Behalve 53 liedteksten bevat deze bundel ook twintig gedichten, zeven vertaalde liedteksten (van onder anderen Guthrie, Porter, Dylan) en zeven vertalingen van sonnetten van Shakespeare. En ook nog, verrassend, twaalf liedteksten van De Dijk die, door Wouter Planteijdt, in het Engels zijn vertaald. Je kunt ze zingen op de oorspronkelijke melodie. ‘Mijn van straat geredde roos’ wordt ‘My rose saved from the street, / nearly crushed under my feet’.

Misschien gaan de liedjes nu een nieuw leven leiden. ‘Dat kan nog leuk worden’ zegt Van der Lubbe in zijn toelichting. Ja. Helemaal als ze in het buitenland de titel moeten uitspreken van de bundel waar die vertalingen in te vinden zijn: Guichelheil.