Politie Ipswich houdt van prostituees

Het leven van een hoer is weinig waard in Engeland. Alleen in Ipswich besloot men na een reeks moorden om iets voor hen te doen. Het was als vloeken in de kerk in het preutse land.

Bradford, voormalige industriestad in de buurt van Leeds, had nooit gedacht dat het na de vreselijke prostitutiemoorden door de Yorkshire Ripper (Peter Sutcliffe) dertig jaar geleden, opnieuw en op dezelfde manier geconfronteerd zou worden met een seriemoordenaar van straatprostituees. „Echoes of the Ripper” kopte de Yorkshire Post op 26 mei groot op de voorpagina. Opnieuw had de politie een man aangehouden die ervan wordt verdacht dames van de straat te hebben vermoord. Dit keer ging het niet, als destijds bij de Ripper, om dertien, maar om drie vrouwen. Die waren, de een na de ander, spoorloos verdwenen, vaak met achterlating van radeloze gezinsleden. De politie kreeg pas na een jaar een eerste aanknopingspunt: een wandelaar vond twee maanden geleden stoffelijke resten van een van de vrouwen in het riviertje de Ayre, tien kilometer verderop. De politie vond later meer lichaamsdelen in het water. De aangehouden verdachte, een veertigjarige psycholoog, identificeerde zich bij zijn voorgeleiding als „de kruisboogkannibaal”.

Prostituees, maar bovenal straatprostituees, worden in Engeland beschouwd als oud vuil. Lager allooi is niet denkbaar. Media plegen in de berichtgeving over slachtoffers van misdrijven onderscheid te maken tussen „prostituees” en „onschuldige vrouwen”. De Yorkshire Ripper vergreep zich aan twintig vrouwen , van wie hij er dertien vermoordde. Zijn daden leidden tot massahysterie: geen vrouw durfde meer na donker de straat op. Maar de politie – en de media – raakten pas écht geïnteresseerd toen er ook „onschuldige vrouwen” onder zijn slachtoffers bleken te zijn.

In de afgelopen tien jaar zijn hier zestig prostituees (van naar schatting 80.000 straatprostituees in Engeland en Wales alleen) vermoord. Hun lot verdwijnt over het algemeen uit het bewustzijn zodra de daders zijn berecht. Natuurlijk, deze misdadigers heten wegens de seksuele component in tabloidtaal onveranderlijk „het beest”, „de perverse” of „de duivel”, maar de aandacht gaat meer naar de saillante details van hun handelen uit dan naar het lot van hun slachtoffers.

Hoofdinspecteur recherche bij de Suffolk Constabulary, Alan Caton, geeft uit zichzelf toe dat ook de politie in zijn graafschap in Oost-Engeland regelmatig tippelaarsters aanhield en ze voor de rechtbank liet opdraven, voornamelijk om de overlast voor de buurt te beperken. Pooieren, bordeelhouden en het uitlokken tot seks (wat tippelaarsters en hun in de auto langzaam voorbijrijdende klanten doen) zijn in Engeland allemaal verboden, maar komen desondanks overal voor. Het oppakken van vrouwen en het met een waarschuwing laten gaan van zogeheten kerb crawlers (‘stoeprandkruipers’) was ook in Suffolk een routine.

Totdat in december 2006 in Ipswich, een slaperig kustplaatsje dat alleen wegens zijn voetbalclub enige naam heeft, binnen tien dagen niet minder dan vijf tippelaarsters verdwenen. Allen waren drugsverslaafd, allen leefden wat Caton noemt „een chaotisch bestaan”, allen werden uiteindelijk vermoord teruggevonden. Die gebeurtenis, door de pers de zaak van de Suffolk Strangler gedoopt, heeft voor Caton en zijn collega’s geleid tot een ommekeer in het inzicht in en de aanpak van straatprostitutie. Deze aanpak is voor Engelse begrippen zo revolutionair, dat Caton meent dat de recente moorden op tippelaarsters in Bradford misschien wel niet gepleegd zouden zijn als de overheid daar al in een eerder stadium de lessen van Ipswich had geleerd. „Wij hébben geen straatprostitutie meer, omdat wij met alle instanties hebben samengewerkt om deze vrouwen een werkelijke uitweg uit hun situatie te bieden: met behandeling van hun verslaving, met huisvesting, met toegang tot een uitkering, zelfs met een nieuw gebit.”

Een overheid die zich identificeert met de problemen van prostituees – het is in Engeland zoveel als vloeken in de kerk. Overwegingen van preutsheid maken dat talloze pogingen de wetgeving ten aanzien van prostitutie zo te veranderen dat prostituees bijvoorbeeld met elkaar vanuit een gezamenlijk huis hun bedrijf kunnen runnen, al jaren spaaklopen. De Britse overheid kan zich immers nooit inlaten met „gelegenheid geven”. Het Lagerhuislid voor Ipswich laat zich uiterst voorzichtig uit: „Misschien kunnen we in de toekomst het beleid zo aanpassen dat we meer rekening houden met de situatie zoals die ís, in plaats van hoe we die graag zouden willen zien.”

Hoofdinspecteur Caton: „Het onderzoek naar de verdwijning van Gemma Adams, Tania Nicol, Anneli Alderton, Annette Nicholls en Paula Clennell leverde ons, voor het eerst, een schat aan informatie op over het milieu van straatprostituees. We hadden geen idee dat het om 107 vrouwen ging. Veel meer dan we dachten. Allemaal kwetsbaar, slachtoffer van beroving, van verkrachting, van ernstige seksuele en fysieke mishandeling. Niets is gevaarlijker voor een vrouw dan zich in dat milieu begeven. Het is een sprookje dat vrouwen daarvoor ‘kiezen’. Met Belle de Jour (speelfilm met Catherine Deneuve als huisvrouw die zich ’s middags tussen 2 en 5 prostitueert, red.) heeft dit niets te maken. Een meerderheid, toen we ze dat vroegen, wilde niet op straat staan. Maar ze wisten niet hoe ze zich uit hun situatie moesten bevrijden. Met alle betrokken instellingen hier, van politie via huisvesting tot verslavingsinstelling, zijn we ze daarmee gaan helpen.’’

De unieke hulpverlening aan de tippelaarsters – door de politie hier vanaf het begin welbewust aangeduid als „jonge vrouwen” in plaats van „prostituees” – ging gepaard met een straffe aanpak van hun klandizie. Zo’n indruk hadden de moorden gemaakt – de Suffolk Strangler bleek een voormalige steward van het cruiseschip Queen Elizabeth 2 wiens seksleven te wensen overliet – dat zelfs de kerken akkoord gingen met hulpverlening. De lokale krant startte een „somebody’s daughter” campagne om een gezicht te geven aan de vrouwen die tot dan alleen maar als tippelaarsters waren gezien. Lezers gaven geld. Zelfs de omwonenden van de tippelzone, in de schaduw van het standbeeld van wijlen Sir Alf Ramsey die als bondscoach Engeland in 1966 het wereldkampioenschap voetbal bracht, gingen akkoord. Zij hadden jaren met wisselend succes geklaagd over de overlast van condooms en naalden in hun achtertuin, en van klanten die hun eerzame dochters aanspraken op de stoep voor hun huis.

Caton: „We arresteerden in die eerste weken van de gezamenlijke aanpak 140 mannen. Vingerafdrukken, dna, foto’s, de hele reut. Dat was nog nooit zo radicaal gebeurd. Die kerels wisten niet waar ze het zoeken moesten. De meesten hadden een vaste relatie en ze kwamen uit allerlei milieus. Er was ook een politieman bij. En met de vrouwen zelf wisselden we constant informatie uit. Nee, we hebben de praktijk niet ondergronds gedreven. Sommigen hebben een uitweg gevonden, met zo’n vijftig anderen houden we contact. ‘Dank u dat u mijn leven hebt gered.’ Dat is goed om te horen.’’

Caton is niet overmoedig, maar heeft wel vertrouwen in de strategie. „Het kost geld. En we hebben nog twee jaar te gaan voor we echt de balans kunnen opmaken.”

Hij reist het hele land door om erover te vertellen en onlangs liet een Lagerhuiscommissie zich informeren over wat nu algemeen „de Ipswich-strategie’’ wordt genoemd. Tegen degenen die zeggen dat het te veel geld kost, voert hij aan dat het gemiddelde moordonderzoek 1 miljoen pond kost. Preventie is dan besparing.

Caton is niet naïef. Straatprostitutie mag dan in Ipswich tot het verleden behoren, er blijven, óók in Suffolk, altijd nog massagesalons, sauna’s en escortservices. Er is het internet. Er zijn advertenties – hoewel die misschien binnenkort verboden worden. Georganiseerde misdaad (drugshandel) en vrouwenhandel (van tenminste vierduizend vrouwen in de bedrijfstak is gebleken dat ze verhandeld zijn) zijn „onvermijdelijk’’ nauw met de seksindustrie verbonden. De strategie van het ministerie van Binnenlandse Zaken is de bestrijding daarvan.

Caton zegt dat de politie zich wat hem betreft richt op het optreden ter bescherming van vrouwen die in gevaar zijn. „Niet meer optreden tegen de vrouwen, maar tegen degenen die hen gebruiken.”

Wie was het ook weer recentelijk in het Witte Huis, peinst hij, die die befaamde opmerking maakte over „je moet een flinke crisis nooit kansloos voorbij laten gaan”? „Dat is wat wij hier ervaren hebben. Die decembermaand in 2006 heeft hier gezorgd voor een totale ommekeer. Ik ben hier als jonge agent begonnen: dit zou ik twintig jaar geleden nooit hebben geloofd.’’

Dit is deel twaalf van een serie over prostitutie wereldwijd.