Masakazu Fujii zag een stralend gele flits

Journalist John Hersey sprak zes overlevenden van ‘Hiroshima’, in 1946.

Zijn verslag van hun belevenissen is 64 jaar later nog steeds indrukwekkend.

Cover van het boek Hiroshima van John Hersey.

Vandaag 65 jaar geleden, op 6 augustus 1945, om precies vijftien minuten over acht ’s ochtends, Japanse tijd, explodeerde de atoombom boven Hiroshima.

In het voorjaar van 1945 was de Amerikaanse journalist John Hersey (1914-1993) voor het weekblad The New Yorker in Japan om de wederopbouw te beschrijven. Hij raakte in contact met zes overlevenden, wier verhalen hij verwerkte in een artikel van 31.000 woorden dat op 31 augustus 1946 een complete editie van The New Yorker besloeg.

Veertig jaar later keerde Hersey terug naar Hiroshima om te beschrijven hoe het de overlevenden verder was vergaan. Hiroshima van Hersey (Meulenhoff, 2009) werd uitgeroepen tot het belangrijkste journalistieke werk van de twintigste eeuw. Op deze pagina’s staan fragmenten over één van de overlevenden: dokter Masakazu Fujii.

‘Dokter Masakazu Fujii, die welvarend, hedonistisch en destijds niet erg drukbezet was, had zich in de dagen voorafgaand aan de explosie de luxe gepermitteerd om uit te slapen tot negen uur of half tien, maar gelukkig moest hij de ochtend dat de bom viel vroeg op om een logé naar de trein te brengen. Hij was om zes uur uit de veren en een half uur later liep hij met zijn vriend naar het station, dat niet ver weg lag, voorbij twee rivieren. Tegen zevenen was hij weer thuis, net toen het alarm aanhoudend klonk. Hij ontbeet en omdat de ochtend al warm was, kleedde hij zich vervolgens uit en ging hij in zijn ondergoed op de veranda zitten om de krant te lezen. [...]

Dokter Fujii zat in zijn ondergoed in kleermakerszit op de brandschone matten van de veranda, zette zijn bril op en begon de Osaka Osabi te lezen. Hij las graag het nieuws uit Osaka omdat zijn vrouw daar was. Hij zag de flits. Volgens hem – weggedraaid van het centrum en de blik gericht op de krant – was die stralend geel. Geschrokken kwam hij overeind. Op dat moment (hij was 1.550 meter van het centrum) leunde het ziekenhuis achter hem voorover en kiepte het met een vreselijk geraas de rivier in. De dokter, die wilde opstaan, werd tollend naar voren en omver gesmeten; hij kreeg dreunen van links en rechts en werd meegesleurd; hij kon niet volgen wat er gebeurde omdat alles zo snel ging; hij voelde het water.

Dokter Fujii had amper tijd om te denken dat hij doodging voor hij besefte dat hij leefde, stevig ingeklemd tussen twee lange balken die in een V over zijn borst lagen, als was hij een hapje dat tussen twee gigantische eetstokjes hing: overeind, zodat hij niet kon bewegen, met zijn hoofd op wonderbaarlijke wijze boven het water en zijn torso en benen erin. Rondom hem waren de resten van zijn ziekenhuis, in een dwaas allegaartje van versplinterd hout en materiaal voor de pijnbestrijding. Zijn linkerschouder deed vreselijk veel pijn. Zijn bril was verdwenen. [...]

De kliniek van dokter Masakazu Fujii stond niet langer op de oever van de Kyo; hij lag ín de rivier. Na de val was dokter Fujii zo verbijsterd en zat hij zo stevig in de greep van de balken aan weerskanten van zijn borst, dat hij zich aanvankelijk niet kon bewegen. Hij hing daar ongeveer twintig minuten in de verduisterde ochtend. Toen kwam er een gedachte in hem op: weldra zou de vloed via de zijarmen komen opzetten en zijn hoofd zou dan onder water raken. Die gedachte zette hem aan tot angstige activiteit; hij wurmde en draaide en zette al zijn kracht in (hoewel zijn linkerarm vanwege de pijn in zijn schouder nutteloos was). Weldra had hij zichzelf uit de tang bevrijd. Hij rustte even uit en klauterde toen op de berg hout, vond een lange paal die schuin tegen de oever stond en klom met veel pijn en moeite naar boven.

Dokter Fujii, die in zijn ondergoed was, was nu kletsnat en vuil. Zijn hemd was gescheurd en er liep bloed uit diepe sneden op zijn kin en rug. In deze wanordelijke staat liep hij de Kyo-brug op, waarnaast zijn privékliniek had gestaan. De brug was niet ingestort. Zonder zijn bril zag hij slechts wazig, maar toch genoeg om versteld te staan van de vele huizen die overal waren ingestort. Op de brug kwam hij een vriend tegen, een dokter, Machii genaamd, en hij vroeg verdwaasd:

„Wat dacht jij dat het was?”

Dokter Machii antwoordde: „Het moet een Molotoffano hanakago zijn geweest” – een molotovbloemenmand, de elegante Japanse naam voor de bread basket of clusterbom, die in vele bommetjes uiteenspat.

Aanvankelijk zag dokter Fujii slechts twee branden, een aan de overkant van de rivier op het terrein van zijn kliniek en eentje in de verte in het zuiden. Tegelijkertijd zagen zijn vriend en hij iets wat hen voor vragen stelde en waarover zij, dokters immers, spraken: hoewel er nog maar heel weinig branden waren, kwamen er gewonde mensen over de brug gesneld in een eindeloze optocht van ellende. Velen van hen vertoonden afschuwelijke brandwonden op hun gezicht en armen. ‘Hoe zou dat komen?’ vroeg dokter Fujii. Die dag was zelfs een theorie al een troost, en dokter Machii hield vast aan de zijne. „Misschien omdat het een molotovbloemenmand was”, zei hij.

Toen dokter Fujii eerder die ochtend zijn vriend naar het station bracht, was er geen zuchtje wind te bekennen, maar nu stond er een stevige bries die alle kanten op ging; hier op de brug blies een oostenwind. Er sprongen nieuwe branden op die zich snel verspreidden. Weldra was het door vreselijke vlagen hete lucht en sintelregens onmogelijk om op de brug te blijven staan. Dokter Machii rende naar de overkant van de brug en toen verder door een straat die nog geen vlam had gevat. Dokter Fujii begaf zich in het water onder de brug, waar al tientallen mensen hun toevlucht hadden gezocht, onder wie zijn bedienden, die zichzelf uit de ravage hadden bevrijd. Vanaf daar zag dokter Fujii een verpleegster aan haar benen tussen de brokstukken van zijn kliniek hangen, en toen een andere die pijnlijk zat vastgeklemd met haar borst.

Hij riep de hulp in van een paar anderen onder brug en bevrijdde de twee vrouwen. Hij dacht even de stem van zijn nichtje te horen, maar hij kon haar niet vinden; hij zag haar nooit meer terug. Vier van zijn verpleegsters en de twee patiënten in de kliniek stierven ook. Dokter Fujii ging weer in de rivier staan en wachtte tot de brand zou afnemen.

Het lot van de artsen Fujii, Kanda en Machii, vlak na de explosie – een lot dat typerend was voor de meerderheid van de artsen en chirurgen van Hiroshima – met hun kantoren en ziekenhuizen verwoest, hun apparatuur aan gruzelementen, hun eigen lichamen in meer of mindere mate uitgeschakeld, verklaarde waarom zoveel gewonde burgers niet werden behandeld en waarom zo velen, die wellicht hadden kunnen blijven leven, stierven. Van de 150 artsen in de stad waren er 65 al dood en van de rest waren de meesten gewond. Van de 1.780 verpleegsters waren er 1.654 dood of te zwaargewond om te werken.’

Fujii begon na de oorlog een nieuwe, succesvolle privékliniek. In 1963 deed hij (waarschijnlijk) een zelfmoordpoging. Kort daarna overleed hij. Uit sectie bleek dat hij kanker had.

John Hersey: Hiroshima. Vertaald door Catalien van Paassen, met een nawoord van H.J.A. Hofland. Meulenhoff, 188 blz., € 18,95