Lang leve de das

Ik zou weleens willen weten wie me in 1979 verteld heeft dat er nog maar vierhonderd dassen waren in ons land. Dat was overdreven weinig.

Hans Vink ontkent. Hij zat indertijd piepjong bij Staatsbosbeheer. Hij zegt: „Wij hebben in 1980 een inventarisatie gedaan. Toen waren het er 1.200, en dat is ook wereldkundig gemaakt.”

Niettemin, onze dassen stonden aan de rand van de afgrond. Het aantal verkeersslachtoffers overtrof het geboortecijfer. De populatie was uiteengevallen in deelpopulaties die gedoemd leken om een voor een uit te sterven.

In 1979 was de dassentunnel een noviteit. Verschillende deskundigen stonden er sceptisch tegenover. Maar het is vooral dankzij die tunnels dat er tegenwoordig zo’n vijfduizend dassen zijn en dat niemand zich nog zorgen lijkt te maken over een paar honderd meer of minder; de das is gewoon geen probleem meer.

Bij het nalezen van mijn eerste dassenverhaal viel me overigens nóg iets op. Toen werd er geheimzinnig gedaan over de ligging van dassenburchten om kwaadwillenden niet de weg te wijzen – als er nu nog steeds geheimzinnig over wordt gedaan, is dat om liefhebbers op afstand te houden. Het imago van het dier is geweldig verbeterd.

Hans Vink doet de dassen in het Gooi. Hij zit nog steeds bij Staatsbosbeheer, maar dat staat er los van – dit is vrijwilligerswerk.

Iedereen dacht dat de das uit het Gooi verdwenen was. In 1983 werd bij toeval nog één bewoonde burcht ontdekt – de laatste van de oude populatie of de eerste van de nieuwe, het is maar net hoe je het bekijkt. Vorig jaar: circa 35 bewoonde burchten, 140 dieren. En uitgerekend dit jaar is er, geheel tegen de trend in, sprake van achteruitgang: 116 dieren. Er zijn opvallend minder jongen (23 tegen 45), misschien als gevolg van de strenge winter.

„Maar Hans”, zeg ik, „dan tel je 116 dassen in het Gooi en dan is het een slecht jaar – zo goed gaat het met de das!”

Wat hij natuurlijk beaamt. Maar wat zekere zorgen natuurlijk niet wegneemt. Dassentunnels. Rijkswaterstaat wil er nog wel geld voor vrijmaken, maar lagere overheden zijn er niet meer voor te porren. Geen enkele urgentie meer. Terwijl je op je vingers kunt natellen dat er bij de huidige dichtheden meer dassen worden doodgereden dan ooit (in het Gooi jaarlijks een twintigtal).

Verder is de das bij uitstek een verschijning van het oude agrarische cultuurlandschap, de halfnatuur die bij boeren zwaar onder druk staat en bij natuurbeheerders niet bepaald hoog aangeschreven. Hier bij de Loosdrechtse Plassen (waar we wat rondneuzen) grazen bij voorbeeld geen melkkoeien meer, maar hobbypaarden. In een paardenwei zitten minder regenwormen (waar dassen van houden) en is het ’s nachts onrustig (waar dassen niet van houden). Als we terugrijden naar Hollandsche Rading stopt Hans ergens om bij een hooilandje het hek dicht te doen – een das zou daar anders zomaar de weg kunnen oplopen. „En wie”, vraagt hij ernstig, „moet dit doen als ik er straks niet meer ben?”