'Ik houd niet van lieve boodschappen in boeken'

Alles is groot in de ‘Groene Bloem’-trilogie die Floortje Zwigtman (Andrea Oostdijk, Terneuzen, 1974) heeft gesitueerd in Londen tegen het einde van de 19de eeuw. De omvang van ruim 1.600 pagina’s, de duizelingwekkende hoeveelheid details over het leven in de Victoriaanse tijd, de vele verzonnen en bestaande personages en de rijkdom aan thema’s: van decadente kunst en onderdrukte homoseksualiteit tot politieke kuiperijen en klasseverschillen. Dood, mishandeling, afpersing, manipulatie en prostitutie geven de jeugdboeken over de ‘coming of age’ van de homoseksuele arbeidersjongen Adrian Mayfield bovendien een rauw realisme. „Ik geloof niet dat alles goed komt met een wijs lesje aan het eind.”

Uw trilogie eindigt met een oproep om het op te nemen voor onderdrukte homoseksuelen. Reduceert u daarmee uw rijke en veelvormige cyclus niet tot een tendensroman?

„Nee, en het is ook nooit de bedoeling geweest om louter een pleidooi voor de tolerantie van homoseksualiteit te schrijven. Al vanaf de middelbare school ben ik gefascineerd door de Victoriaanse tijd en dáár wilde ik een roman over schrijven. Maar nadat ik het eerste deel had gepubliceerd kreeg ik ongelooflijk veel reacties van homoseksuele jongens en mannen, die niet voor hun geaardheid uit durfden te komen. Zo schreef een man in het leger dat hij niet uit de kast durfde te komen, omdat het klimaat daar nog steeds niet homovriendelijk is. Ik wilde daar iets mee doen. Daarom heb ik de tekst van iemand van Amnesty International opgenomen in het boek.”

Kwamen er ook reacties van heteroseksuelen, die bijvoorbeeld meer begrip hadden gekregen?

„Ja, onder meer van mijn eigen vader.”

Wat dan?

Met stemverheffing: „Ha! Het Persoonlijke Element!” Dan, rustig en zeer terughoudend: „Mijn vader had een nogal traditionele kijk van de heteroseksuele man op homoseksuelen. Met mijn boek kreeg hij inzicht in het leven van een homoseksueel. Dat is natuurlijk wat literatuur kan bieden, een beschrijving van binnenuit, niet van buitenaf.”

Koos je een homoseksuele hoofdpersoon om de Victoriaanse tijd te kunnen ontleden met de blik van de buitenstaander?

„Nee, ik ben begonnen met schrijven vanuit het perspectief van Imogen, een vrouwelijk personage dus.” Imogen is het nichtje van Vincent Farley, geliefde van hoofdpersoon Adrian en telg uit een vooraanstaande familie. „Maar het verhaal kwam niet op gang, doordat vrouwen uit de betere kringen bijna altijd thuis zaten. Die kwamen niet in smerige cafés of achterbuurten.

,,Toen ik ging schrijven vanuit Adrian, kwam er plotseling beweging in. En als je dan gaat schrijven over homoseksualiteit in het Engeland van die tijd, kom je al snel uit bij Oscar Wilde. Zijn werk vind ik al lang fascinerend, maar zijn uitzonderlijke en vrijgevochten leven nog meer. Daar heb ik altijd iets mee willen doen.”

De ondergang van de zeldzaam welsprekende Wilde is de motor van de trilogie, waarin feit en fictie zijn versmolten. Zwigtman schetst gedetailleerd hoe Wilde zijn hofhouding, vol bestaande en verzonnen personages, voortdurend betovert met zijn aforismen en flair. En hoe Wilde – dandy, dichter, toneelschrijver en openlijk homoseksueel – uiteindelijk zijn hand overspeelt met een rechtszaak tegen de hooggeplaatste vader van zijn geliefde.

U heeft jaren zeer grondig research gedaan. Wat is daar het nut van, als het verhaal toch voor een deel verzonnen is?

„Het historische deel moest naar mijn gevoel echt helemaal kloppen. Tandenpoetsen bijvoorbeeld, hoe deden ze dat in die tijd? Gelukkig vond ik een antiquarisch boek waarin dit beschreven stond.”

En die pijnlijke en langdurige behandeling van een inwendige geslachtsziekte, die in het boek gedetailleerd wordt beschreven?

„Die komt uit een boek uit 1885, waarin allerlei behandelmethoden stonden plus een overzicht van beroemde mensen die hadden geleden aan die kwaal. Al dit soort boeken heb ik via internet aangeschaft bij antiquariaten, honderden.”

En toen had u zoveel materiaal dat u drie delen maakte in plaats van twee, zoals oorspronkelijk de bedoeling was?

„Het materiaal was niet de reden voor een derde deel. Ik zie de Groene Bloem als een 19de-eeuwse soapstory, waarbij je steeds wil weten hoe het met de personages gaat. In drie delen kon ik de liefde tussen Adrian en Vincent in alle fasen behandelen: het begin, de volle beleving en het einde.’’ [Vincent dumpt Adrian als hij hoort van diens verleden als jongenshoer, waarna Adrian zint op wraak, KB] ,,Het derde deel had ik ook nodig voor bijvoorbeeld de epiloog, waarin Vincent terugkijkt op zijn leven en liefde. Die terugblik was nodig voor het evenwicht, omdat het hele verhaal aan de lezer is verteld door Adrian.”

Voelde u zich een gevangene van de trilogie waaraan u jaren werkte?

„Nee, want ik heb bewust gekozen voor een roman, waarin ik me nauwkeurig aan de feiten moest houden. Ik had wel beperkingen, bijvoorbeeld doordat ik toch steeds weer moest terugkomen op de rechtszaken tegen Wilde. Maar ik heb er geen spijt van.”

Toch leek u in uw vorige boek, Wolfsroedel, meer u zelf. Alsof de schrijfster Zwigtman in de verwerking van mythologische verhalen zichtbaarder is dan in een historische roman. Klopt dat?

„Ja, het is waar dat ik me in Wolfsroedel vrijer voelde, zonder de last van de verplichting om de dingen precies op te schrijven zoals ze waren. Wolfsroedel ligt dichter bij mijzelf, door de vrijheid die ik voelde bij al die grote verhalen.”

Wolfsroedel (2002) zit inderdaad vol grote verhalen, verhalen uit de Roemeense volksmythologie om precies te zijn, die veelal maar zeker niet alleen gaan over de wrede Vlad Tepes, beter bekend als Dracula. Zwigtman kneedde de oeroude geschiedenissen tot een huiveringwekkend verhaal over een 19de-eeuwse jongensbende, die in een maalstroom van geweld en machtswellust terechtkomt. Met deze hoogst originele strijd tussen goed en kwaad vestigde Zwigtman zich in een klap als de meest onontkoombare jeugdboekenschrijver van Nederland.

Maar behalve literaire prijzen oogstte Wolfsroedel ook kritiek. De recensent van de Volkskrant ventileerde haar afkeer van de beschrijving ‘hoe fascinerend het kan zijn bloed uit een steekwond te zien gutsen, een mens te zien sterven of hem eigenhandig te vermoorden.’ Zwigtman sloeg terug met een betoog dat in de hedendaagse amusementsindustrie het geweld een vermakelijk spel is geworden. Wolfsroedel toont jonge mensen geweld op een realistische manier, schreef Zwigtman: ‘Ook in dit boek begint het geweld als vermaak, als een spel, maar al snel loopt het zo uit de hand dat de hoofdpersonen niet meer om de realistische, schrijnende en afgrijselijke kanten van geweld heen kunnen.’

Hoe kijkt u acht jaar later terug op deze discussie?

„Nog steeds in grote verbazing. Allereerst verbazing over de felheid waarmee mensen, die zeiden het boek niet gelezen te hebben, hun mening gaven op websites. Je weet dat dit zo gaat, maar als het je overkomt, is dat toch een rare ervaring. Het leek op wat Herman van Veen overkwam toen die wat had gezegd over Geert Wilders; al was dat veel ernstiger.

,,Verder is er de verbazing dat jeugdliteratuur blijkbaar nog steeds pedagogisch gewogen kan worden. Tot in de jaren zeventig werden kinder- en jeugdboeken vaak beoordeeld op hun opvoedkundige kwaliteiten, maar ik dacht dat jury’s en recensenten tegenwoordig uitsluitend literaire maatstaven aanlegden. Blijkbaar hebben nog veel mensen het idee dat kinderen en jonge mensen leven in een lieve wereld, en moeten nare dingen in een boek worden rechtgezet. Ik ben allergisch voor dat soort boodschappen. Ik geloof niet dat alles goed komt met een wijs lesje aan het eind.”

Dat zegt een voormalige onderwijzeres...

„Nou ja, misschien is het een reactie op mijn vroegere bestaan. Ik was niet zo’n goede juf trouwens. Ik kon me nog slechter concentreren dan de kinderen in de klas. Ik was ook niet zo geschikt om elke dag hetzelfde te doen.”

Als juf kwam u wel op het idee voor Wolfsroedel, toch?

„In mijn klas zaten kinderen uit Bosnië, waar lang een oorlog woedde. Aan kleine dingen merkte je dat deze kinderen anders waren dan hun klasgenoten. Eén kind was wel heel erg bang als Zwarte Piet op de deur bonsde, een ander kind huilde helemaal niet als het op zijn knie was gevallen. Het zette me aan het denken over de manier waarop oorlogen ontstaan, over hoe buren vijanden kunnen worden.”

U situeerde het verhaal vervolgens in Roemenië. Kent u dit land zo goed als het lijkt?

„Ik ben er nooit geweest, maar ook voor Wolfsroedel heb ik veel research gedaan. De standaardwerken van de Roemeense mythologie heb ik grondig bestudeerd. De verhalen liggen gevoelsmatig dicht bij mij. Wat mij aanspreekt is het accepteren van iets dat groter is dan jezelf. Dat wil niet zeggen dat je ten koste van alles moet proberen om je lot te beïnvloeden zoals tegenwoordig de norm is. Het is geen fatalisme.”

Als de herder in ‘Miorita’, het beroemdste volksgedicht in Roemenië, hoort dat hij vermoord zal worden, bereidt hij zich voor op de dood. Is dat geen fatalisme dan?

„Nee, want hij kiest er bewust voor om niet te vluchten, om zijn lot te accepteren. Die keuze maakt hij uiteindelijk in vrijheid.”

Zijn de personages in de ‘Groene Bloem’ ondanks de psychologische portrettering uiteindelijk niet ook radertjes in een veel groter geheel?

„Inderdaad, uiteindelijk gaat het altijd om de grote verhalen en de kleinere verhalen van de mensen daarbinnen. Toen ik klein was, kon ik bijvoorbeeld eindeloos luisteren naar de verhalen van mijn moeder over haar belevenissen in de Tweede Wereldoorlog. Over Duitsers die ingekwartierd waren, over een tante die met de nek werd aangekeken omdat ze vriendelijk tegen Duitsers zou zijn geweest.”

Is het boek waar u nu aan werkt ook weer meer mythologisch?

„In zekere zin wel.”

Dan vertelt ze over de presentatie van het boek De hemel van Heivisj van haar collega Benny Lindelauf dit voorjaar. Zwigtman gaf een rondleiding door Sittard, dat in de boeken van Lindelauf een soort Macondo van de lage landen is geworden. „Benny Lindelauf heeft zich laten inspireren door de verhalen van zijn oma en oud-tantes. Hij heeft die zich zo eigen gemaakt dat Sittard een mythische stad is geworden.”

Het inspireerde Zwigtman om voor haar nieuwe boek het historische materiaal wat meer los te laten. „Ik dacht: ‘Zo kan het ook’. In de trein terug ben ik meteen gaan schrijven aan mijn boek.” Ze toont enkele pagina’s in een notitieboek, met nagenoeg onberispelijke zinnen in een regelmatig handschrift. „Bijna geen doorhalingen; daaraan zie je dat het makkelijk ging.”

Waar gaat het boek over?

„Ik praat nooit veel over een boek dat niet klaar is. Het gaat over een land onder een dictatuur, een beetje Oost-Europees land dat overal kan liggen. Elke dictatuur schept nieuwe werkelijkheden, net zoals dat gebeurt in mythen, daar gaat het over. Het verhaal wordt in de derde persoon verteld door verschillende personages. Dat is lastig, omdat je steeds goed moet nadenken wie wat wanneer vertelt. Maar deze vorm is spannend om te lezen.”

Durft u deze technisch veeleisende vorm aan, omdat u inmiddels veel ervaring heeft met schrijven?

„In Spelregels [boek uit 2001 over een gearrangeerd adellijk huwelijk in de Middeleeuwen, KB] werd het verhaal verteld door twee personen, de echtelieden. Nu worden het veel meer personen. Bij elk boek leer je beter schrijven, en ik ben me ook wel bewust van de techniek. Maar bij het schrijven moet je de techniek vergeten. Schrijftechniek is als een besturingssysteem van de computer: onmisbaar maar onzichtbaar.”

U bent vertrouwd met het orthodox-protestantse milieu. Zou u niet willen schrijven over de manier waarop daar nieuwe werkelijkheden worden geschapen?

„Om te beginnen is dat niet echt mijn milieu hoor. Om een idee te geven; mijn gereformeerde grootvader was lid van een socialistische vakbond. Maar ik zat wel op scholen die orthodox-protestants waren of evangelisch. En ik heb daar te maken gehad met godsdienstwaanzinnige leraren en klasgenoten die zich bezig hielden met de vraag of ze van God mochten kijken naar de tienersoapserie ‘Beverly Hills 90210’. Maar het gereformeerde milieu is al zo vaak beschreven.”

Niet op de manier waarop u dat zou doen, toch?

„Dan zou ik toch eerder kijken naar andere systemen, die hun eigen werkelijkheid scheppen. Zoals het communisme of het kapitalisme, waarover in de fictie niet eens zo heel veel is geschreven.”