Hubris in Hollywood

In haar nieuwste biografie probeert roddelkoningin Kitty Kelley het televisiefenomeen Oprah Winfrey zwart te maken. Maar voor het verklaren van Winfreys succes is een boek over Spielberg geschikter.

Kitty Kelley:Oprah.A Biography, Crown, 525 blz. € 29,99. Vertaald door Bep van Tein e.a. Sijthoff, 512 blz., 19,95

Nicole LaPorte:The Men Who Would Be King. An almost epic tale of moguls, movies, and a company called DreamWorks. Houghton Mifflin Harcourt, 491 blz., € 27,99

Oprah Gail Winfrey, een 15-jarige scholiere uit Nashville, komt in 1969 voor het eerst in Hollywood. Op de Walk of Fame voor Grauman’s Chinese Theatre knielt de slimme, niet bijzonder mooie puber, het ontkroeste haar in een strakke scheiding, neer bij de blinkende tegels van ’s werelds grootste filmsterren en zegt tegen zichzelf: ‘Op een dag heb ik hier mijn eigen ster.’ Als ze een jaar later eerste wordt in een voordrachtwedstrijd, vergelijkt ze dat in de schoolkrant met ‘het winnen van een Oscar’.

Zo was Oprah Winfrey, en zo is ze nog altijd: rotsvast overtuigd van haar eigen bijzondere gaven en haar recht op succes. De klasgenoten die achter haar rug om gniffelden over zoveel eigendunk, heeft ’s werelds rijkste en beroemdste zwarte vrouw inmiddels afdoende de mond gesnoerd.

En hen niet alleen. De honderden werknemers van Harpo, Winfreys productiemaatschappij annex tv-studio in Chicago, en van haar glossy O, The Oprah Magazine zijn contractueel gebonden aan levenslange zwijgplicht over hun bazin. Collega’s uit Winfreys beginjaren houden ook liever hun mond – je zal maar voor de rechter gesleept worden door de tv-ster wier vermogen volgens de laatste schattingen 2,4 miljard dollar bedraagt. Daarbij heeft Oprah Winfrey zo’n grote invloed op het koopgedrag van haar devote, merendeels vrouwelijke publiek, dat wie in de VS iets aan te prijzen heeft – een boek, een film, luxe beddengoed: de lijst van producten die al hebben geprofiteerd van ‘het Oprah-effect’ is eindeloos – haar beter te vriend kan houden.

Voor auteur Kitty Kelley, bekend van haar vileine biografieën van onder anderen Frank Sinatra en de familie Bush, moet het waas van mysterie dat zo rond Winfreys levenswerk – het opzetten en uitbouwen van haar eigen ‘merk’ – blijft hangen een grote ergernis geweest zijn. Ze probeert deze enorme lacune in het hart van haar boek te verbloemen door breed uit te pakken met de weinige scoops die haar jaren van research wel hebben opgeleverd: volgens een paar uit de school klappende familieleden, onder wie Winfreys (niet-biologische) vader Vernon en haar tante Katharine, groeide Winfrey minder dirt-poor op dan ze later in interviews placht te vertellen. Die interviews zijn Kelleys enige materiaal waar het Oprah Winfrey zelf betreft, en ze citeert er veelvuldig uit.

Oprahs versie van haar levensverhaal is een sprookje vol life-changing moments. Op elk dal volgt een inzicht, een innerlijke verandering en een nieuwe start; net zoals ze menige gast in haar talkshow voorhoudt, hebben ook de zwarte episodes Winfrey uiteindelijk dichterbij zichzelf gebracht.

Ook ontdaan van deze spirituele franje blijft Winfreys leven een verbazingwekkend rags-to-riches verhaal. Kind van een labiele tienermoeder; seksueel misbruikt door onder anderen haar lievelingsoom; ongewenst zwanger op haar vijftiende; ruime ervaring met racisme, ongelukkige liefdes, drugsgebruik en vraatzucht. Tegen de tijd dat de brutale, zwaarlijvige presentatrice van AM Chicago, een lokaal ochtendprogramma voor huisvrouwen, halverwege de jaren tachtig boegbeeld werd van de landelijk uitgezonden Oprah Winfrey Show, had ze zich dus wel degelijk uit de goot omhoog gewerkt.

Kelley is echter vastbesloten om het idool een kopje kleiner te maken, en concentreert zich in haar boek vooral op Winfreys mislukkingen en minder goeie eigenschappen. Ondanks een veelbelovende start als actrice (in The Color Purple, zie inzet) is Winfrey geen echte filmster geworden. Ze geeft minder geld aan goede doelen dan haar vrijgevig imago doet vermoeden. Ze jokt. Ze mokt. Ze vult haar huizen met kitsch, en trekt liever met vrouwen op dan met haar volgens getuigen zuiver platonische verloofde-voor-de-vorm, de ‘oersaaie’ Stedman Graham.

Het zal allemaal best, maar daarmee blijft Winfrey’s onmiskenbare succes onderbelicht en onverklaard. Wat doet ze wél goed? Wat is haar geheim? Waarom slaat haar ‘bizarre mix van plat materialisme en opbeurende spiritualiteit’, zoals Kelley het samenvat, zo goed aan dat tv-kijkers uit alle contreien dieettips overnemen van een vrouw die zelf al sinds jaar en dag ‘jojoot’?

Een deel van het antwoord valt te destilleren uit een fascinerend boek over een andere tak van de Amerikaanse entertainmentindustrie. Nicole LaPortes The Men Who Would Be King is een nauwgezette, spannend geschreven reconstructie van de opkomst en ondergang van wat hét moderne multimediabedrijf van Hollywood had moeten worden: DreamWorks, de studio waarin filmproducent Jeffrey Katzenberg, muziek-miljardair David Geffen en filmgenie Steven Spielberg in 1994 hun krachten bundelden.

Hun motieven voor samenwerking verschilden. Katzenberg, die de Disney Studios bijna eigenhandig nieuw leven had ingeblazen maar er gepasseerd was voor een hoge functie, was uit op wraak: DreamWorks moest Disney verslaan als grootste producent van animatiefilms. Geffen had zin om zijn haaientanden ook in de filmindustrie te laten zien. Van Spielberg, die zich dankzij een comfortabele overeenkomst met Universal tot dan toe weinig met aardse zaken als de promotie en distributie van zijn films had hoeven inlaten, begrepen mensen niet waarom hij ervoor koos om zijn reputatie op het spel te zetten; LaPorte houdt het erop dat hij het op zijn 47ste tijd vond om op eigen benen te staan, in plaats van altijd onder en voor anderen te moeten werken. In zijn studio zou de kunst prevaleren, niet het geld, en zouden filmmakers het respect krijgen dat ze verdienen.

Van de drie is Spielbergs rol de meest gecompliceerde. Aan de ene kant zorgden zijn naam en faam in de filmwereld ervoor dat ‘talent’, zoals dat in Hollywood-jargon heet, zich in groten getale aandiende: schrijvers, regisseurs en sterren stonden bij DreamWorks in de rij. Maar de meesten van hen kregen Spielberg nauwelijks te zien. In plaats van zich te gedragen als mentor, bemiddelaar en boekhouder – kort gezegd: als een studiobaas – bleef hij in de eerste plaats zelf kunstenaar, die geregeld voor andere studio’s werkte, maandenlang op locatie verdween en net zoveel geld uitgaf als hij nodig achtte. Geffen en Katzenberg spraken hem er niet op aan: Katzenberg had zijn handen vol aan het opjutten van de animatiestudio, en Geffen hield zich liever verre van het dagelijkse kantoorgedoe.

Spielbergs status wordt door LaPorte mooi geïllustreerd met een anekdote over het maken van het Tweede Wereldoorlogsepos Saving Private Ryan. In de zomer van 1996 wordt er groepsgewijs aan het scenario gesleuteld. In Spielbergs kantoor in Los Angeles zitten scriptschrijver Robert Rodat, de producenten en hoofdrolspeler Tom Hanks; Spielberg zit in zijn zomerhuis in de Hamptons. „Wat is er geschrapt?” vraagt hij de groep via een videoscherm. Het script is nog te lang. „Nou”, aarzelt Rodat, „ik dacht dat Miller [de rol van Hanks, red.] dood moest gaan.” Bij medeproducent Paramount vonden de ‘suits’ dat te deprimerend voor het publiek. „Jazeker moet hij dat”, zegt Spielberg. En zo geschiedde.

Onder meer door het succes van Saving Private Ryan bij publiek én critici leek DreamWorks even definitief op de kaart gezet als leverancier van kwalitatief hoogstaand drama – maar die appel verzuurde snel toen bleek dat een groot deel van de winst naar Spielberg en Hanks persoonlijk ging. Toen Ryan

Vervolg op pagina 2

Moddervechten zit haar in het bloed

vervolgens werd gepasseerd voor de Oscar voor beste film, drong het eindelijk door dat ook DreamWorks voortaan zou moeten ‘moddervechten’, zoals Spielberg het lobbyen bij de leden van de Academy misprijzend noemde.

Oprah Winfrey heeft de tegenovergestelde houding. Het ‘moddervechten’ zit haar in het bloed; in de wereld van de commerciële televisie is het de norm. Ze stootte haar talkshow naar de top door de eerste jaren de ranzigste onderwerpen die toen denkbaar waren aan te pakken. Hoeren en pooiers, sekteleden, incestslachtoffers, travestieten – alles was goed, als de mensen maar keken. Later zocht ze meer verdieping, en begon ze onder meer een fenomenaal succesvolle boekenclub, maar juist door die platvloerse start voelden ook niet-lezers zich aangesproken, en durfden de drempel van het lezen van romans te nemen.

Daarbij is Winfrey openlijk, in plaats van heimelijk zoals Spielberg, op geld belust. Achttien jaar lang liet ze haar zaken regelen door advocaat, manager en beschermheer Jeff Jacobs, een ‘piranha’ in Winfreys eigen woorden, die er onder veel meer voor zorgde dat ze behalve presentatrice ook poducer en eigenaar van haar talkshow werd. Jacobs’ motto ‘Het gaat er niet om hoeveel je verdient, maar hoeveel je eraan overhoudt’ vormt de basis van Winfreys fortuin, en had ook bij DreamWorks niet misstaan als waarschuwende tegelspreuk aan de muur. Ze heeft hem inmiddels ontslagen; nu is ze eigen baas.

Volgens LaPorte ging DreamWorks uiteindelijk ten onder aan hubris, overmoed. De drie bazen, met Spielberg voorop, dachten te vaak en te gemakkelijk dat er goud uit hun handen kwam, en sleurden hun omgeving mee in die jubelstemming totdat een blik op het kasboek hen weer op aarde deed landen. Ze wilden te veel, van alles. In 2008 viel het drietal uit elkaar. Spielberg bleef speelfilms maken met DreamWorks en Katzenberg stortte zich bij DreamWorks Animation op de 3D, maar geen van beide bedrijven kan zonder steun van grote, gevestigde studio’s.

Nu de machtsgreep van dit drietal is mislukt, is er in Hollywood wellicht ruimte voor een koningin. Winfrey heeft aangekondigd in september 2011 te zullen stoppen met haar talkshow, en is bezig haar eigen tv-zender op te zetten: OWN, het Oprah Winfrey Network. Het hoofdkantoor staat in Los Angeles. De voorspellingen voor OWN in de pers zijn wisselender dan ze voor DreamWorks waren; in tegenstelling tot Spielberg is Oprah Winfrey onder journalisten een omstreden personage, met evenveel haters als liefhebbers.

Misschien is dat maar goed ook. Misschien dankt ze daar de kern van nederigheid aan waar ze op televisie nog vaak blijk van geeft. Als Winfrey meeblèrt met Celine Dion of met haar ogen rolt van genot na het proeven van een verboden dikmaker, lijkt ze even net zo ‘gewoon’ als haar publiek.