Een schaker portretteert zichzelf via schakende kunstenaars

Hans Ree: Mijn schaken. Atlas, 320 blz. € 22,90

Nu het wereldkampioenschap voetbal eindelijk uit het collectieve bewustzijn begint weg te zakken, is het tijd om Mijn schaken van Hans Ree te lezen. Voor wie een maand mentaal opgesloten zat in Zuid-Afrikaanse stadions, is het om te beginnen heerlijk te verwijlen bij vele kunstenaars, onder wie onder veel anderen kunstenaar Marcel Duchamp, bij componist John Cage, schrijver W.F. Hermans en schaker Hein Donner. Bovenal helpt deze rijke bundel bij het nadenken over vragen die het voetbaltoernooi heeft opgeroepen.

Neem het sobere schopvoetbal waarmee het Nederlands elftal zich een weg baande naar de finale. Bondscoach en spelers verdedigden dit met de stelling dat het mooie voetbal van vroeger nooit een wereldtitel heeft opgeleverd. Ze lijken steun te krijgen van de grote schaker en schaakschrijver Savielly Tartakower, aan wie Ree een prachtig stuk wijdt. Tartakower zei namelijk ooit: ‘Morele overwinningen tellen niet.’

Tartakower zelf werd keer op keer geslagen door de roerige geschiedenis van de 20ste eeuw en bleef toch fier overeind als een volgens Ree ‘dapper en onkreukbaar’ man. Morele overwinningen tellen dus wél, bewijst het leven van de man die het tegenovergestelde beweerde. Ree signaleert geregeld dergelijke paradoxen, die stelligheden ondergraven.

Dat is typerend voor Mijn schaken, een bundel met verhalen en beschouwingen over het schaakspel, beeldende kunst, literatuur, filosofie en psychologie. Steeds onderzoekt Ree een kunstuiting of een mensenleven langs één route en probeert vervolgens nog een andere route. Een boekverfilming vertoont nogal wat schaaktechnische rariteiten, maar verbeeldt overtuigend enkele cruciale elementen van het oorspronkelijke boek. Een weerzinwekkende nazi is ook een aandoenlijke voorvechter van een prachtig vechtschaak. Ree legt al deze elementen naast elkaar, als de varianten in een analyse van een schaakpartij.

Grootmeester Hans Ree (1944) behoorde lang tot de nationale top en de internationale subtop van de schaakwereld. Terwijl met het klimmen der jaren zijn schaakkracht afnam, groeide Ree als schrijver van schaakrubrieken, essays en columns. De afgelopen jaren is veel daarvan al in bundels verzameld.

Mijn schaken is veel persoonlijker dan zijn andere werk en daardoor urgenter en spannender. Zo vertelt Ree over de wedstrijden die hij als kind speelde tegen klasgenoot Hans Aalmoes. ‘Dit boek gaat over mijn schaakwereld en daarin was hij belangrijk’, schrijft Ree bijna verontschuldigend. Het is die persoonlijke toets waarmee hij iconische kunstwerken en vaak bekende levens als nieuw presenteert. Iedereen kent Bobby Fischer als een geniale schaker en een gestoorde persoonlijkheid, met antisemitische uitbarstingen. Ree beschrijft dit nauwkeurig. Maar Ree trok ook ooit met de jonge Fischer in Israël (!) op. Fischer was daar beleefd en ontspannen en bleek het volledige songbook van soulzangeres Aretha Franklin uit het hoofd te kennen.

Even persoonlijk schrijft Ree over bijvoorbeeld Vladimir Nabokov en Marcel Duchamp, beiden hartstochtelijke schakers. Zijn analyse van De verdediging van Nabokov is lichtvoetiger en diepzinniger dan ik ooit las. Mooi is ook hoe Ree beschrijft niets te snappen van een kunstwerk van Duchamp, dat niettemin in de loop van de jaren steeds dieper tot hem doordringt – de geheime kracht van beeldende kunst.

Het mooist is misschien wel de passage over de kleuren, waarin het wereldbeeld van de mens met fobieën wordt versmolten met de roman Moby Dick, een sneeuwlandschap en de dichter en schrijver K. Schippers. Wit staat voor de dood, een leeg landschap waarop het leven kleuren aanbrengt. Een aardige gedachte na de oranje golf in de Nederlandse straten.

Ree citeert Schippers overigens onnauwkeurig en er staan wel meer slordigheden in het boek, zoals herhalingen. Wie echter goed kijkt ziet iets veel interessanters. In alle pakkende anekdotes over alcohol, vetes en verliespartijen, duikt steeds ook Hans Ree op. Vaak als gesprekspartner, soms als bijfiguur op een foto.

Wie al die stukjes Hans Ree aan elkaar plakt, ontdekt een interessante persoonlijkheid vol contradicties. Timide, maar met een grote geldingsdrang. Harmonieus, maar met een sterke wil om te winnen. In alle verhalen is Ree zelf de eigenlijke hoofdpersoon – in de gedaante van Watson schuilt een Sherlock Holmes. Wat mij betreft komt die Ree in het vervolg meer naar voren, in wat dan niet Mijn schaken maar misschien ‘Mijn wereld’ gaat heten.