Een komen en gaan van Renaissances

Ook andere culturen kenden Renaissances, en culturele zuiverheid is fictie. Jack Goody en Peter Burke, hooggeleerde en hoogbejaarde wetenschappers, zetten vraagtekens bij de bakens van ons cultuurbegrip.

Jack Goody: Renaissances: The one or the many? Cambridge University Press, 322 blz., € 23,50.

Peter Burke: Cultural hybridity. Polity Press, 142 blz, €10.- (pbk).

‘Hybriditeit’ is het deftige academische woord voor de vermenging en versmelting van culturen. Je vindt de notie vooral terug bij romanciers zoals Salman Rushdie en bij literatuurwetenschappers, maar het verschijnsel is natuurlijk veel wijder verbreid. Dankzij auto en vliegtuig, dankzij satelliettelevisie en internet hebben we tegenwoordig snellere en intensievere uitwisseling, met de rest van de wereld dan ooit tevoren.

Maar contact en vermenging van culturen is natuurlijk een veel ouder verschijnsel. Veel dingen die we als oerhollands ervaren blijken bij nader inzien van vreemde herkomst. De aardappel komt uit Zuid-Amerika, de tulp uit Turkije, en kaas uit het Nabije Oosten. Door dergelijke contacten wordt het ook moeilijker om vast te houden aan duidelijk omlijnde culturele identiteiten. Het onderscheid tussen Nederlanders en Duitsers spreekt voor voetballiefhebbers vanzelf, maar in cultureel en taalkundig opzicht valt een duidelijke Nederlands-Duitse grens onmogelijk te trekken. Toen prinses Máxima verkondigde dat dé Nederlandse identiteit niet bestaat, had ze niet alleen volkomen gelijk; haar observatie was zelfs tamelijk triviaal.

Vanwaar dan de heisa die haar opmerking veroorzaakte? Als al dat gepraat over zuivere en vastliggende identiteiten aantoonbaar flauwekul is, waarom houden zoveel mensen er dan aan vast? Is het geloof in nationale identiteit een hedendaags equivalent van wat religie volgens marxisten was: opium voor het volk?

De Britse cultuurhistoricus Peter Burke, onder meer auteur van een klassiek geworden studie van de Italiaanse Renaissance (1972), geeft nu in een onlangs als paperback verschenen boekje een verfrissend perspectief op zulke processen van culturele globalisering. Zijn argument berust niet op modieuze postmoderne of postkoloniale slogans uit filosofie of literatuurwetenschap, maar op historisch onderzoek. Cultural hybridity getuigt in al zijn bondigheid van een verbijsterend brede kennis. Burke put zijn voorbeelden met even groot gemak uit de Europese cultuurgeschiedenis als uit die van Latijns Amerika of Oost Azië. Maar die belezenheid staat de leesbaarheid van dit informele en persoonlijke essay niet in de weg.

Verhelderend is Burkes beschrijving van cultuurcontact in taalkundige termen van bijvoorbeeld vertaling en creolisering. Creooltalen als het Afrikaans zijn ontstaan uit de vermenging van het Nederlands met inheemse talen; op een soortgelijke manier ontstaan uit contacten tussen bestaande tradities geheel nieuwe, hybride culturen. Burke voert deze taalkundige beeldspraak nog verder. Zoals veel Nederlanders vandaag de dag meertalig zijn, concludeert hij, zo zullen de mensen ook steeds meer in cultureel opzicht meertalig worden, ofwel ‘meerculturelig’. Die conclusie staat haaks op de talrijke pessimistische toekomstscenario’s over een vermeende wereldwijde Amerikanisering of ‘Coca-kolonisatie’ van de cultuur. Zulke visies onderschatten volgens Burke de creativiteit van culturele en andere vertalingen.

Toch is Cultural hybridity niet simpelweg een bejubeling van de versmelting van culturen. Volgens Burke gaat daarin immers ook veel waardevols verloren. Bovendien, vervolgt hij, volgen op perioden van versmelting en contact dikwijls negatieve reacties, die gepaard kunnen gaan met zuiveringen van talen, tradities, of territoria. Dat roept de vraag op in hoeverre die negatieve reacties verankerd zijn in ons hedendaagse taalgebruik dat zuivere nationale identiteiten als vanzelfsprekend veronderstelt, en in hoeverre ze worden bevestigd in zulke dominante begrippen als ‘volk’, ‘cultuur’, ‘traditie’, enzovoort. Over deze vragen laat Burke zich nauwelijks uit, wat jammer is; maar je kunt natuurlijk ook niet teveel verwachten van een tekst van nog geen 120 bladzijden.

Ook de Italiaanse Renaissance valt op te vatten als een hybride vermenging van vroegmoderne Italiaanse cultuur met tradities van de klassiek-Griekse oudheid en islamitische natuurwetenschappen. Zo’n perspectief leidt tot geheel nieuwe vragen van meer vergelijkende aard. Al in zijn eerste studie over de Renaissance had Burke het vroegmoderne Italië vergeleken met de republiek der Nederlanden en met 17de-eeuws Japan. Dergelijke vergelijkingen roepen de vraag op in hoeverre de (West-) Europese Renaissance überhaupt een wereldhistorisch unieke gebeurtenis is.

Om die vraag draait Jack Goody’s Renaissances: The one or the many? Goody, een van de meest vooraanstaande Britse antropologen van de afgelopen eeuw, is inmiddels negentig, maar hij is nog altijd productiever dan menig collega in de bloei van zijn carrière. Renaissances volgt op eerdere veelzeggende titels als The East in the West en The Theft of History, en is voorlopig de laatste zet in een omvangrijke kritiek op de diepe eurocentrische aannames van de moderne westerse geschiedschrijving en sociale wetenschappen.

Met name de gedachte dat de Europese moderniteit gekenmerkt wordt door een wereldwijd uniek proces van rationalisering, zoals verkondigd door de socioloog Max Weber, moet het hier ontgelden. Goody valt frontaal de volgens hem wijdverbreide visie aan dat de Renaissance niet alleen een unieke opbloei van kunsten en wetenschappen kende, maar ook een wereldhistorisch cruciale fase markeert in de ontwikkeling van het westers kapitalisme, dat een uniek-Europese seculiere rationaliteit zou weerspiegelen. Zulke loftuitingen werpen volgens hem de verhoudingen van de 19de eeuw, toen het kapitalistische Europa inderdaad een voorsprong had, ten onrechte terug op de vroeg-moderne wereld.

Het idee van een Renaissance als een cultureel ontwaken uit de duistere Middeleeuwen, betoogt hij, is onderdeel van een modern, seculier en etnocentrisch Europees zelfbeeld. Op zich is dat geen groot nieuws. Er bestaan al lang studies die de tegenstelling tussen duistere Middeleeuwen en verlichte Renaissance nuanceren. Al in 1927 betoogde Charles Homer Haskins in zijn klassieke studie over de ‘Renaissance van de twaalfde eeuw’ dat de Italiaanse Renaissance een minder radicale breuk met het verleden vormde dan werd aangenomen.

Maar Goody betwist niet zozeer het bijzondere karakter van de Europese Renaissance. Evenmin staat hij lang stil bij de Europese schatplichtigheid aan de Arabische natuurwetenschappen, of aan het Indiaas-Arabische decimale getallenstelsel, dat vanaf de 13de eeuw het Latijnse decimalenstelsel verving. Dergelijke invloeden neemt hij haast voor lief. In plaats daarvan biedt hij vooral een breed overzicht van de diverse episodes van culturele wederopleving in de diverse geletterde tradities van Oost en West. Dat alleen al maakt van Renaissances een belangwekkend boek.

Wie gelooft dat de Europese Renaissance wordt gekenmerkt door een unieke opbloei van wetenschappen, kunsten en gesproken dialecten, en de nieuwe humanistische belangstelling voor de heidense oudheid, zal verrast opkijken van India in de Gupta-periode (320-600) en van China onder de Song-dynastie (960-1279), waarin respectievelijk de klassieke Sanskriettradities en de idealen van het confucianisme herleefden; ook kenden deze tijdperken een opbloei van de wetenschappen en een seculiere kritiek op gevestigde religieuze tradities.

Goody’s argument berust vooral op zijn eigen eerdere onderzoek naar geletterde en schriftloze samenlevingen. Volgens hem weerspiegelt de heropleving van antieke oudheden een algemenere neiging van schriftsamenlevingen in van tijd tot tijd terug te kijken op hun geschreven traditie.

Soms neemt Goody’s betoog erg grote stappen in tijd en ruimte – maar dat is onvermijdelijk bij zo’n omvattende onderneming. Wel is het jammer dat hij soms zijn eigen analytische kader uit het oog verliest. Zo bekijkt hij achtereenvolgens de belangrijkste episodes van teruggrijpen op het klassieke erfgoed in de islamitische, Joodse, Indiase en Chinese tradities. Deze hoofdstukken, deels samen met de germanist Stephen Fennell geschreven, zijn vooral cultuurhistorisch van karakter; ze gaan niet langer in op de economische kenmerken van het vroege kapitalisme. Ze bevatten talrijke interessante suggesties, bijvoorbeeld dat in China bewegingen van zelfvernieuwing doorgaans een archaïserende vorm aannamen, en daardoor tot aan de 19de eeuw geen ideologie van modernisering ontwikkelden.

Merkwaardig genoeg citeert Goody hier Orhan Pamuks roman Ik heet karmozijn alsof het een historische bron betreft. Pamuks roman is niet alleen moderne fictie over het vroeg-moderne verleden; erger is dat hij precies het eurocentrisme uitstraalt dat Goody juist wil bestrijden. Pamuk beschouwt het perspectief in de schilderkunst als een zuiver Europese uitvinding, terwijl Goody elders instemmend een recente studie citeert die het belang van de Arabische wetenschapper Ibn al-Haytham (gestorven in 1039) voor de ontwikkeling van het perspectief benadrukt.

Dat zijn kleinigheden. Een veel groter probleem is Goody’s visie op India als een in wezen tijdloze samenleving. Volgens hem kent India, anders dan Europa, geen radicale culturele breuk tussen voormoderne traditie en anti-traditionele moderniteit. Maar die visie legt een veel te sterke nadruk op de continuïteit van het Sanskriet als medium van Indiase geleerdheid. Aan de Moghulheerschappij, die in etnisch opzicht Turks en in cultureel opzicht Perzisch was, en die chronologisch de Europese Renaissance overlapte, wijdt Goody welgeteld één bladzijde. Ook botst Goody’s opvatting dat het Sanskriet als cultuurtaal nooit is uitgestorven, met recenter inzicht van indologen als Sheldon Pollock, dat het Sanskriet al vóór de Britse Europese overheersing was verdwenen als dominante en dynamische culturele traditie.

Zo reproduceert Goody ongewild de mythe dat India stagneerde en slechts uit die voormoderne sluimer werd gewekt door Europese invasies. Ook herhaalt hij klakkeloos het wijdverbreide beeld dat het Ottomaanse rijk voor de Europese bemoeienissen van de 19de eeuw slechts een eeuwenlange stagnatie vertoonde.

Zulke mythen over tijdloze of stagnerende voormoderne rijken behoren niet alleen tot de zelfrechtvaardiging van koloniale heersers en nationale bewegingen; ze roepen ook vragen op over het wereldwijde karakter van de moderniteit. Is, zoals Goody suggereert, de terugblik op de oudheid slechts een periodiek verschijnsel; of markeren de diverse Renaissances van de vroegmoderne wereld een onomkeerbaar proces van modernisering? Een verwante vraag is of diepgaande veranderingen in technologie of schriftcultuur, zoals de uitvinding van de boekdrukkunst, hebben geleid tot duurzame verschuivingen in de verhouding tussen geschreven en gesproken talen.

De Europese renaissance zag de emancipatie van talen als het Frans en Italiaans ten opzichte van het Latijn. In India zie je iets later een vervanging van Sanskriet en Perzisch door talen als het Urdu; en in China werden in dezelfde periode aarzelende pogingen gedaan om het klassiek geschreven Chinees te vervangen door een nieuwe geschreven literaire taal die dichter bij de gesproken omgangstaal stond.

Goody geeft hooguit een begin van een antwoord op dergelijke vragen. Zodoende biedt Renaissances net iets teveel een samenvatting van bestaande cultuurhistorische inzichten, en net iets te weinig een eigen vernieuwende synthese. Maar als voorlopige afronding van een levenlang onderzoek naar de rol van het schrift in samenlevingen, en als proeve van de intellectuele vermogens van een 90-jarige, verdient het een eerbiedige bewondering.