Een absurdistisch meesterwerk

‘Op Twee-Vogel-Wad’ uit 1939 van Flann O’Brien, is één van de beste boeken van de twintigste eeuw. Goed nieuws dat de vertaling – van Bob den Uyl – opnieuw is uitgebracht.

Flann O’Brien: Op Twee-Vogel-Wad. Vertaald door Bob den Uyl. Atlas, 234 blz. € 19,90

Probeer het maar eens samen te vatten. Het boek begint drie keer, bevat verschillende verhaallijnen, is geschreven in zeer uiteenlopende stijlen en blijkt uiteindelijk te gaan over een naamloze student uit Dublin die een boek schrijft, als hij tenminste niet uitslaapt of met medestudenten aan de bar hangt.

Het boek dat de student schrijft gaat over een schrijver die ook van uitslapen houdt, zich aan een van zijn vrouwelijke personages vergrijpt en door zijn andere personages hardhandig ter verantwoording wordt geroepen. Ondertussen houden cowboys en mythologische helden ellenlange gesprekken over niets. En o ja, er treedt ook nog een sprekende koe op. (‘Haar stem was laag en keelachtig, en van een hoedanigheid die normaal niet met vrouwelijke zoogdieren in verband wordt gebracht.’) Toch is At Swim-Two-Birds, het debuut van de Ierse schrijver Flann O’Brien (1911-1966) dat in 1939 verscheen, geen chaotisch boek. Wat het wel is: een komisch meesterwerk, en een van de beste boeken van de 20ste eeuw. Goed nieuws dus dat de Nederlandse vertaling opnieuw is uitgebracht.

Op Twee-Vogel-Wad is een van die boeken die over niets lijken te gaan maar waar alles in zit. Het wordt vaak – en terecht – vergeleken met Tristram Shandy van Lawrence Sterne. Ook boeken als Het boek Le Grand van Heinrich Heine en sommige titels van Multatuli (Minnebrieven, Miljoenen-studiën) vallen in dezelfde categorie. Ideale boeken om te herlezen, omdat het niet draait om het verhaal, maar om stijl, vondsten, uitwijdingen. Je krijgt de indruk dat de auteur ook niet precies weet waar hij gaat uitkomen, en daarom is het net alsof je met hem meeleest terwijl hij zijn invallen op papier zet.

Bij Op Twee-Vogel-Wad is dat hier en daar letterlijk het geval; volgens biograaf Anthony Cronin nam O’Brien in zijn boek verschillende teksten op die hem onder het schrijven toevallig onder ogen kwamen, zoals lemma’s uit encyclopedieën en een brief van een bureau dat tips gaf voor paardenraces.

Wat maakt het boek nou zo grappig?

Het staat vol met absurde scènes, maar dat je onder het lezen regelmatig hardop in de lach schiet, komt niet door de situaties die O’Brien de lezer voorzet, maar door de manieren waarop hij die situaties beschrijft. Soms is de toon van het boek overdreven plechtstatig, dan weer uiterst laconiek, op het zakelijke af. Vaak bestaat er een discrepantie tussen situatie en toon, en laat hij personages heel normale dingen zeggen die totaal niet passen bij hun persoonlijkheid of de situatie waarin ze zich bevinden. Hierdoor bereikt O’Brien uiterst vervreemdende, hilarische resultaten. En belangrijker nog: het hele boek door houdt hij zijn gezicht in de plooi. Nergens wordt hij koket. Hij beschrijft de handelingen en gedachtewereld van zijn merkwaardige personages alsof hij een volstrekt normaal verhaal vertelt.

Dit droogkomische absurdisme paste O’Brien ook met veel succes toe in de columns die hij onder het pseudoniem Myles na Galopeen schreef voor The Irish Times (Flann O’Brien was zelf ook een pseudoniem: eigenlijk heette hij Brian O’Nolan). Maar wat Op Twee-Vogel-Wad tot een echt meesterwerk maakt, is dat er onder de humor een melancholische somberheid schuilt, met name in de passages die zijn gewijd aan de naamloze student die het boek-in-het-boek schrijft over de schrijver die door zijn personages wordt gemolesteerd.

Deze student, die van alle personages uit het boek het dichtst bij zijn schepper staat, woont in bij zijn oom, die niets van hem begrijpt. Hij vermaakt zijn medestudenten met passages uit het boek dat hij schrijft, maar leidt zelf een eenzaam en vlak bestaan. Zijn belevenissen, observaties en gesprekken worden verteld op afstandelijke, bijna ambtelijke toon, die hier en daar sterk aan De Avonden van Reve doet denken.

Onder het vermaak gaapt een afgrond. Je krijgt het idee dat de schrijver van het boek-in-het-boek een beginnende depressie probeert te bestrijden door zich over te geven aan zijn fantasie, en zijn manuscript met zachte wanhoop volstopt met de meest absurde figuren, tot die sprekende koe aan toe. Aan de melancholische slotzinnen van het boek zou je kunnen afleiden dat hij zijn somberheid vooralsnog niet heeft overwonnen.

Ook O’Brien heeft weinig plezier beleefd aan zijn boek. Toen het in 1939 uitkwam, werden er maar een paar honderd exemplaren van verkocht. Toen het eind jaren vijftig werd herontdekt, deed O’Brien het af als ‘jeugdwerk’ waarmee hij liever niet werd geconfronteerd. Zijn volgende roman, het bizarre en fantastische The Third Policeman, werd door zijn uitgever geweigerd en verscheen pas na de dood van de auteur. De latere romans van O’Brien die jarenlang als ambtenaar werkzaam was, missen de magie van de eerste twee.

Op Twee-Vogel-Wad zit vol verwijzingen naar Ierse literaire en culturele kwesties, maar ook zonder voorkennis is het boek zeer goed leesbaar; de parodie die het boek ook is, ontstijgt het specifiek Ierse. En hoewel de Nederlandse vertaling die nu is heruitgegeven bijna veertig jaar oud is, voldoet ze nog uitstekend. Dat komt omdat het boek is vertaald door Bob den Uyl. Dat was een gelukkig keuze. Den Uyl was ook een meester van de droge humor met een absurdistisch en melancholisch randje en wist in zijn vertaling precies de juiste toon te treffen. Helemaal foutloos is zijn tekst niet, en het is jammer dat de uitgever er niet even met een fijne kam doorheen is gegaan om er wat vergissingen en slordigheden uit te halen, maar de geest van het boek heeft Den Uyl goed weten te bewaren. Toen deze vertaling in 1974 verscheen, voorzag de toenmalige uitgever het boek van de wat ongelukkige en programmatische titel Tegengif. Den Uyl was het daar niet mee eens, en gelukkig heeft het boek bij deze herdruk haar rechtmatige titel teruggekregen.

In zijn bundel Het land der levenden sprak Bob den Uyl overigens zijn teleurstelling uit over het feit dat zijn vertaling van Flann O’Briens meesterwerk geen verkoopsucces werd. Die fout kan nu alsnog worden goedgemaakt. ‘Als u er niets aan vindt, dan deugt u niet’, schreef Bob den Uyl. Dat gaat misschien wat ver, maar iedereen die dit boek ongelezen laat, doet zichzelf ernstig tekort.