De 'Leonardo van de Habsburgers'

Keizers vergaapten zich aan de ‘serieuze grappen’ van schilder Arcimboldo. Dat hij ook nog een veelzijdig en belezen kunstenaar, een erudiet humanist én een dichter was, onthult een nieuwe, mooie en gedegen studie.

Thomas DaCosta Kaufmann: Arcimboldo. Visual Jokes, Natural History, and Still-Life Painting. Chicago Univ. Press, 314 blz. €60,-

Dolle man, die Arcimboldo. Hoe anders een kunstenaar te karakteriseren die geschilderde mensengezichten samenstelde uit groenten en fruit, vissen en gevogelte? Die zijn broodheer Rudolf II, keizer van het Heilige Roomse Rijk, portretteerde als de god Vertumnus, maar dan in de vorm van een collage van producten van de land- en tuinbouw?

Al in zijn eigen tijd werd de schilder om zijn fantasie geprezen. En de 20ste-eeuwse herontdekking van zijn werk hangt onmiskenbaar samen met Arcimboldo’s status als proto-surrealist – een 16de-eeuwse kunstenaar wiens werk als voorbeeld werd beschouwd voor moderne kunstenaars als Max Ernst en Salvador Dalí.

Uit historisch oogpunt is deze waardering twijfelachtig, want bepaald door anachronistische ideeën over de mate van vrijheid van een Renaissance-kunstenaar. In een uitvoerige studie laat de Amerikaanse kunsthistoricus Thomas DaCosta Kaufmann zien dat de implicaties van Arcimboldo’s werk meer om het lijf hebben dan bizarre fantasie en Spielerei alleen.

Over de artistieke activiteiten die Giuseppe Arcimboldo (Milaan, 1526-1593) in de eerste 35 jaar van zijn leven ontplooide, is weinig bekend. Enkele glas-in-loodramen, een paar fresco’s en wat ontwerpen voor wandtapijten zijn gedocumenteerd of worden aan hem toegeschreven. De inventieve ‘samengestelde’ portretten waar hij later zo beroemd om zou worden, maakte hij in deze periode nog niet. Die duiken pas op na 1562, toen Arcimboldo als hofschilder ging werken voor de Habsburgse keizer Ferdinand I. Een kwart eeuw lang werkte de schilder, in Wenen en Praag, in dienst van Ferdinand en diens opvolgers Maximiliaan II en Rudolf II. In 1587 keerde hij – in de adelstand verheven – terug in zijn geboortestad Milaan, waar hij zou sterven in 1593. De lengte van de dienstbetrekking en het hoge keizerlijke eerbetoon duiden erop dat Arcimboldo’s werk, met al zijn humor en speelsheid, aan het verfijnde hof in de smaak viel.

De laatste decennia is veel onderzoek gedaan naar de inhoudelijke implicaties van de natuurgetrouwheid van de kunst van de Renaissance, en het ontstaan van genres als stilleven, landschap en de weergave van alledaagse scènes. In het licht daarvan kun je op je klompen aanvoelen dat een moderne visie op Arcimboldo zal trachten aan te tonen dat er ook met diens werk meer aan de hand is dan op het eerste gezicht lijkt. En dat is precies wat DaCosta Kaufmann, hoogleraar kunstgeschiedenis aan Princeton en specialist op het gebied van de Renaissance in Midden-Europa, beoogt in zijn boek, dat de inzichten samenbrengt die hij in de afgelopen dertig jaar in een reeks kleinere publicaties het licht heeft doen zien.

Kaufmann vestigt de aandacht op de visuele paradox in Arcimboldo’s samengestelde portretten. Bekeken door de oogharen lijken het mensenhoofden, maar van dichtbij zie je de uiterst nauwkeurig geschilderde vruchten, bloemen, dieren en soms zelfs de boeken en papieren, waaruit ze zijn opgebouwd. De onmiskenbare vaardigheid van de schilder in het uitbeelden daarvan, brengt de auteur ertoe Arcimboldo’s gedocumenteerde rol als botanisch tekenaar in dienst van de befaamde Italiaanse natuurwetenschapper Ulisse Aldrovandi te benadrukken.

Bovendien schrijft Kaufmann een reeks gekleurde tekeningen van zowel inheemse als exotische dieren aan de kunstenaar toe, inclusief spelingen van de natuur, zoals een geplukte kwartel met een poot te veel. In deze context van het vastleggen en verzamelen van voortbrengselen van de natuur, passen Arcimboldo’s portretten, die immers ook kunnen worden opgevat als collecties van naturalia. Daarnaast reviseert Kaufmann het belang van Arcimboldo voor de ontwikkeling van het schilderkunstig genre van het stilleven. In zekere zin – maar dat is een voorbehoud dat het argument niet versterkt – is Arcimboldo een pionier die al stillevens maakte voordat de eerste zelfstandige fruitschaaltjes omstreeks 1600 door de Lombardische schilderes Fede Galizia op het doek werden gezet.

Overtuigender in deze studie is Kaufmanns aandacht voor het lang veronachtzaamde intellectuele aspect van Arcimboldo en diens werk. Tot dusverre stond de schilder bekend als uitvinder van een genre dat garant stond voor het divertissement van zijn keizerlijke opdrachtgevers. Kaufmann presenteert hem nu nadrukkelijk als een veelzijdig en belezen kunstenaar. De ‘Leonardo van de Habsburgers’ was niet alleen schilder, maar ook een geleerd humanist die bekend was met de klassieke traditie.

Aan het hof en daarbuiten verkeerde Arcimboldo in kringen van wetenschappers en literatoren en maakte zelfs gedichten bij zijn eigen schilderijen. Zo vertonen zijn samengestelde portretten parallellen met gedichten in de traditie van Petrarca, waarin de poëet lichaamsdelen en gelaatstrekken van zijn geliefde vergelijkt met elementen uit de natuur. De keuze van fruit en groenten in het schilderij van Vertumnus vertoont parallellen met een vers van de oude Romeinse dichter Propertius waaraan Arcimboldo zelf weer refereert in een eigen gedicht.

In dat schilderij waarin, zoals blijkt uit weer een andere tekst, keizer Rudolf II is geportretteerd als Vertumnus, zijn bloemen, vruchten en groenten uit alle seizoenen samengebracht. Zo is het schilderij niet alleen onderhoudend, maar verwijst de god van de jaargetijden Vertumnus, in zijn wonderlijke gedaante, ook naar de keizer en de alomvattende heerschappij van de Habsburgers. Arcimboldo’s ‘serieuze grappen’ waren niet alleen inventief en vermakelijk, maar ook beladen met allegorische betekenis, zo maakt Kaufmanns mooie en stimulerende boek duidelijk.