Bemoeizucht

Henry David Thoreau (1817-1862), uitvinder van de burgerlijke ongehoorzaamheid, tegenstander van de slavernij en belastingen die werden gebruikt om oorlog te voeren, las geen kranten. Als je er één hebt gelezen, heb je ze allemaal gelezen, schrijft hij in zijn Life in the Woods. De ene moord lijkt precies op de andere, alle inbraken verlopen op dezelfde manier, de mensen blijven verongelukken en uit wat je daarover in de krant leest, leer je niets. Jaren heeft Thoreau als kluizenaar doorgebracht. Blaise Pascal (1623-1662), filosoof, natuurkundige en uitvinder van het openbaar vervoer, was van mening dat alle ellende in de wereld komt doordat de mens niet in staat is rustig in een kamer te blijven zitten. Verder herinner ik me de opmerking van Hugo Brandt Corstius omstreeks het einde van de vorige eeuw. ‘Die e-mail, wat is dat een pest zeg!’

In 1968, toen nog niemand van de digitale communicatie had gehoord, wierp Andy Warhol een blik in de toekomst. Er breekt een tijd aan, zei hij ongeveer, waarin iedereen vijftien minuten wereldberoemd zal zijn. Er zijn veel varianten bijgekomen. Over een kwartier is iedereen wereld beroemd. In de toekomst zullen vijftien mensen wereldberoemd zijn. Dergelijke leukheden. Maar hij zei dat iedere sterveling, analfabeet of genie, sterk als Atlas of zwak als een vlo, een kwartier wereldberoemd zou zijn; dat was een grondrecht. De communicatiemiddelen hadden toen al een hoge graad van ontwikkeling bereikt. In 1961 was het boek van Daniel Boorstin, The Image, verschenen, met de bekende definitie van een beroemdheid. Dat is ‘iemand die beroemd is omdat hij beroemd is’. De Bekende Nederlander zal omstreeks die tijd geboren zijn. Op deze persoonlijkheid is dezelfde definitie van toepassing.

Ongeveer twintig jaar geleden begon de digitale revolutie uit te breken. Als de dag van gisteren herinner ik me dat ik mijn elektronische schrijfmachine moest inruilen voor een computer. Die werd aangesloten op de digitale snelweg. Steeds meer mogelijkheden, steeds sneller. Spam, hackers, filters, iedere twee jaar nieuwe software met steeds meer mogelijkheden die ik niet nodig had. Ja, behalve Google. Die kan een zegen zijn. Iedere dag lees ik op internet de krant nu.nl, de berichten die me interesseren en dan kijk op nu.jij om te lezen wat het digitale volk ervan vindt. Zo had ik de indruk gekregen dat ik aardig met mijn tijd meeging (of de vooruitgang bijslofte).

Tot een jonge collega me vroeg of ik ook op Facebook wilde. Waarom? Dan zou ik meer vrienden kunnen maken. Ik heb al genoeg vrienden. Nee. Dit was interessant. Later zou ik hem nog dankbaar zijn omdat hij me op Facebook had gewezen. Eerlijk gezegd: ik durfde er niet aan. Je weet niet wie je digitaal over de vloer haalt. Maar mijn nieuwsgierigheid won het – half. Van Google leerde ik dat vorig jaar april 200 miljoen mensen Facebook gebruikten, dat er vijf maanden later 50 miljoen waren bijgekomen en dat er vorige maand 500 miljoen Facebookers waren. Allemaal potentiële vrienden. Je zet je portretje op het web, je meldt wanneer je jarig bent, en als het zo ver is, sturen ze je allemaal een mailtje. Eén procent wil bij je op bezoek komen en de helft daarvan neemt een cadeautje mee.

Stel je voor dat een begaafde terrorist een straal uitvond waarmee via een aardsatelliet al het digitale verkeer kon worden verlamd. Het lijkt me een goed onderwerp voor een film. Niemand weet nog wat de anderen doen. Einde van de digitale bemoeizucht; en geen vrienden meer.